Centrale Raad van Beroep, 01-09-2015 / 15-5808 WWB-PV


ECLI:NL:CRVB:2015:3111

Inhoudsindicatie
De aanwezigheid van de financiële problemen is een situatie die door verzoekster en T bewust tot stand is gebracht en kan worden doorbroken. Er bestaat nu bij verzoekster een spoedeisend belang bij een voorschot op de door haar gewenste uitkomst van de bodemprocedures. Voor een dergelijk belang hoeft niet te wijken het belang van het dagelijks bestuur om geen voorschot te betalen zolang niet in rechte vaststaat dat het dagelijks bestuur tot een nabetaling van bijstand respectievelijk van een hogere toeslag gehouden is. Verzoeken afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-01
Publicatiedatum
2015-09-22
Zaaknummer
15-5808 WWB-PV
Procedure
Proces-verbaal
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/183
  • USZ 2015/345
Uitspraak

15/5808 WWB-PV, 15/5809 WWB-PV


Datum uitspraak: 1 september 2015


Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter










Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorzieningen hangende de hoger beroepen van verzoekster tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2015, 14/6360 (aangevallen uitspraak 1) en de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 maart 2015, 15/920, 15/358 (aangevallen uitspraak 2).






Partijen:


[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)


het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)




PROCESVERLOOP

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte

Griffier: C.A.W. Zijlstra


Op 28 augustus 2015 zijn ter zitting verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde [naam T] (T). De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat mondelinge uitspraak wordt gedaan en dat die uitspraak wordt verdaagd tot

1 september 2015.



BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.


Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


1. Bij besluit van 16 april 2014 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van verzoekster ingetrokken met ingang van 1 januari 2014 op de grond dat zij onvoldoende medewerking heeft verleend om haar woonsituatie te kunnen vaststellen waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij dat besluit heeft het dagelijks bestuur tevens de over de periode van

1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand van verzoekster teruggevorderd. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur bij besluit van

11 september 2014 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.


2. Op 26 augustus 2014 heeft verzoekster zich gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen naar de norm voor een alleenstaande. De daartoe strekkende aanvraag heeft zij op 8 september 2014 ingediend. Bij besluit van 2 oktober 2014 heeft het dagelijks bestuur deze aanvraag afgewezen op de grond dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met T. Bij besluit van 10 december 2014 (besteden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2014 gegrond verklaard en verzoekster met ingang van 26 augustus 2014 alsnog bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10%. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet langer een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen, maar dat sprake is van een woonsituatie waarbij verzoekster de kosten kan delen met T. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd en tevens verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Eerdere verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening in beide procedures zijn door de voorzieningenrechter van de Raad afgewezen op 12 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1540) en 3 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2185) wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hieraan lag mede ten grondslag dat het dagelijks bestuur verzoekster op 28 april 2015 bijzondere bijstand heeft toegekend tot een bedrag van € 1.990,12 in de kosten van haar huurachterstand waarmee de dreigende woningontruiming op 29 april 2015 is voorkomen.


4. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


5. Verzoekster heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat zij in een financiële noodsituatie zit. Door haar

energie- en waterleverancier Delta Comfort is op 7 augustus 2015 aangekondigd dat op

4 september 2015 de energievoorziening wordt afgesloten. Verzoekster heeft zich aangemeld bij een nieuwe energieleverancier maar deze zal pas overgaan tot het sluiten van een overeenkomst met verzoekster zodra zij een borg van € 400,- heeft betaald. Verzoekster heeft hiertoe niet de financiële middelen. Deze ontbreken eveneens voor het aflossen van de inmiddels opgelopen schuld met betrekking tot haar watervoorziening. Bij brief van

24 augustus 2015 heeft Delta Comfort aangekondigd dat binnen 14 dagen de drinkwaterlevering aan verzoekster zal worden beëindigd. Tot slot heeft [naam woonservice] te [woonplaats] verzoekster gedagvaard per 2 september 2015 in verband met de bestaande huurachterstand sinds 1 mei 2015 waardoor wederom woningontruiming dreigt.


6. Vaststaat dat eind april 2015 geen sprake meer was van een huurachterstand. Eveneens staat vast dat verzoekster vanaf 1 augustus 2014 de beschikking had over bijstand. In zijn uitspraak van 12 mei 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Raad reeds geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat T niet in staat is een bijdrage te leveren in de gemeenschappelijke woonkosten dan wel elders onderkomen te vinden. Ter zitting heeft T hierover verklaard dat hij uit principiële motieven geen beroep op de bijstand doet. Tevens heeft T ter zitting verklaard dat hij uit ideële motieven bij verzoekster blijft inwonen om haar bij te staan in de procedures tegen het dagelijks bestuur en de inwoning zal staken op het moment dat het dagelijks bestuur verzoekster de volledige gemeentelijke toeslag van 20% toekent. Voorts heeft verzoekster verklaard dat zij, nadat de huurschuld was aangezuiverd, verdere huurbetalingen achterwege heeft gelaten omdat zij eerst schulden aan familie en vrienden heeft afgelost.


7. De voorzieningenrechter stelt vast dat T om zijn moverende redenen volhardt in zijn weigering om (aanvullende) bijstand aan te vragen om zodoende in staat te zijn een bijdrage in de woonkosten te leveren dan wel elders woonruimte te zoeken, en dat verzoekster deze situatie laat voortbestaan en intussen schulden heeft afgelost aan derden. Dit heeft samen heeft in hoofdzaak er toe geleid dat verzoekster na april 2015 wederom in financiële problemen is gekomen. Dit betreft dus een situatie die door verzoekster en T bewust tot stand is gebracht en kan worden doorbroken. Voorts blijkt uit de stukken - en verzoekster heeft dit ter zitting erkend - dat naast het verlenen van de bijzondere bijstand op 28 april 2015 verzoekster tevens ondersteuning is geboden via het zogenaamde gebiedsteam, waarbij verschillende disciplines zijn vertegenwoordigd, waaronder bewindvoering en maatschappelijk werk. Aan dit ondersteuningsplan wordt door verzoekster thans geen medewerking meer verleend.


8. Gelet op wat onder 7 is overwogen, heeft verzoekster zichzelf in de situatie gebracht, waarin zij een spoedeisend belang heeft bij een voorschot op de door haar gewenste uitkomst van de bodemprocedures. Voor een dergelijk belang hoeft niet te wijken het belang van het dagelijks bestuur om geen voorschot te betalen zolang niet in rechte vaststaat dat het dagelijks bestuur tot een nabetaling van bijstand respectievelijk van een hogere toeslag gehouden is. Bij die belangenafweging neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de Raad partijen heeft toegezegd dat beide bodemprocedures in het laatste kwartaal van 2015 zullen worden behandeld en dat het dagelijks bestuur heeft toegezegd dat tot de beslissing in de bodemzaken vanaf augustus 2015 de bestaande invordering op de bijstand van verzoekster van € 50,- per maand zal worden stopgezet. De uitkomst van de onder 4 bedoelde belangenafweging is dus dat geen aanleiding bestaat om in afwachting van de beslissing in de bodemprocedures een voorlopige voorziening te treffen. Daarom worden de verzoeken afgewezen.


9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.


De griffier De voorzitter





(getekend) C.A.W. Zijlstra (getekend) O.L.H.W.I. Korte



Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep





HD