Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14-2038 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3114

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum van de normwijziging bijstandsuitkering. De concrete feiten en omstandigheden bieden in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet meer had op het GGZ-adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14-2038 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2038 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 maart 2014, 13/4170 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.L. Daniëls, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Weinans, advocaat. De commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.V. Suijkerbuijk.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft sinds 18 mei 2010 een zogenoemde indicatie ‘Verblijf’ ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Appellant woonde sinds juni 2010 op het adres [adres] te [woonplaats] in een beschermde woonvorm van [naam GGZ instelling] (GGZ-adres).


1.2.

Appellant ontving sinds 1 december 2010 bijstand ingevolge de Wet Werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft.


1.3.

Appellant heeft op 21 augustus 2012 tijdens een gesprek met zijn klantmanager gemeld dat hij in de periode van 9 juli 2011 tot 4 april 2012 bij zijn moeder heeft gewoond en niet op het GGZ-adres. Appellant heeft hierbij aangegeven dat een brand in combinatie met diefstal in de nacht van 8 op 9 juli 2011 de directe aanleiding was voor de verhuizing.


1.4.

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de commissie aan appellant met ingang van 9 juli 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.


1.5.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de normwijziging. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hem al vanaf 1 januari 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande had moeten worden toegekend. Bij besluit van 17 juni 2013 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daarbij aangevoerd dat hij met ingang van 1 januari 2011 bij zijn moeder is gaan wonen, dat hij gelet op de voortdurende overlast niet meer op het GGZ-adres kon verblijven en dat de leiding van de GGZ ermee bekend was dat hij vanaf januari 2011 niet meer op het GGZ-adres verbleef.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2011 tot en met 8 juli 2011

(te beoordelen periode).

4.2.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1211) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.


4.3.

De commissie heeft naar aanleiding van het gesprek met appellant op 21 augustus 2012 de bijstand met terugwerkende kracht aangepast. Die datum wordt voor de toepassing van de

in 4.2 vermelde rechtspraak als de aanvraagdatum aangemerkt. In geschil is de vraag of de commissie gehouden was om de normwijziging toe te passen met een verder terugwerkende kracht dan tot 9 juli 2011. Appellant heeft in dit verband gesteld dat hij ook in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet meer had op het GGZ-adres.


4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daar het hier gaat om een aanvraagsituatie is het aan appellant om die feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.


4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet meer had op het GGZ-adres. Niet in geschil is dat appellant in die periode vaak bij zijn moeder verbleef, maar dat betekent niet dat appellant zijn hoofdverblijf naar dat adres had verlegd. Daarbij komt bijzondere betekenis toe aan wat appellant ter zitting heeft verklaard, namelijk dat tot 9 juli 2011 al zijn persoonlijke bezittingen, waaronder kleding en een computer, op het GGZ-adres lagen. Daarnaast heeft de GGZ in 2011 meerdere gesprekken met appellant gevoerd en heeft appellant tijdens deze gesprekken niet kenbaar gemaakt dat hij eerder dan op 9 juli 2011 zijn hoofdverblijf niet meer had op het GGZ-adres. Bovendien heeft appellant op 10 april 2012 bij de GGZ een schriftelijke klacht ingediend met betrekking tot door hem ondervonden overlast van huisgenoten, welke overlast niet strookt met een verblijf op een ander adres. Daarbij heeft hij vermeld dat hij in de periode van mei 2010 tot april 2012 woonachtig was op het GGZ-adres.


4.6.

Appellant heeft een aantal verklaringen en foto’s overgelegd. De verklaringen van zijn moeder, zus en broer zijn achteraf opgesteld en vinden geen steun in objectieve en verifieerbare gegevens. De verklaringen van de buurtbewoners hebben betrekking op de overlast bij het GGZ-adres en zien niet op het hoofdverblijf van appellant. Aan deze verklaringen komt dan ook niet de waarde toe die appellant daaraan gehecht wil zien. Ook uit de door appellant overgelegde foto’s kan niet worden afgeleid dat hij voor 9 juli 2011 zijn hoofdverblijf niet meer had op het GGZ-adres.


4.7.

De concrete feiten en omstandigheden bieden in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet meer had op het GGZ-adres.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD