Centrale Raad van Beroep, 15-09-2015 / 14-4117 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3122

Inhoudsindicatie
Weigering bijstandsuitkering. Geen geldige verblijfstitel. Appellant was geen vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt hij tevens onder artikel 16, tweede lid, van de WWB. Daarom kan aan hem - zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel - geen bijstand ingevolge de WWB worden toegekend. Beroep op art 3 en 8 EVRM faalt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
14-4117 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4117 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2014, 14/1412 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Manen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, die de Afghaanse nationaliteit heeft, heeft zich in 1998 hier te lande gevestigd. Appellant ontving - met zijn echtgenote - sinds 1 april 2004 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Nadat was gebleken dat appellant sinds 13 januari 2011 niet meer beschikte over een geldige verblijfstitel, heeft het college bij besluit van 29 december 2011, gehandhaafd bij besluit van 26 maart 2012, de bijstand met ingang van 1 januari 2012 beëindigd. Aan de echtgenote van appellant is vanaf

1 januari 2012 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 27 juni 2013 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend. Bij besluit van 20 september 2013, gehandhaafd bij besluit van 20 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen geldige verblijfstitel heeft en dat daarom geen recht op bijstand bestaat.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft het college ten onrechte de behandeling van zijn aanvraag niet aangehouden totdat meer duidelijkheid is verkregen over zijn verblijfstitel. Tevens heeft appellant aangevoerd dat de weigering hem bijstand te verlenen in strijd is met de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 27 juni 2013 tot en met 20 september 2013.


4.2.

Vaststaat dat appellant tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling was als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt hij tevens onder artikel 16, tweede lid, van de WWB. Daarom kan aan hem - zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel - geen bijstand ingevolge de WWB worden toegekend. Gelet hierop heeft het college ook geen aanleiding hoeven zien de behandeling van zijn aanvraag om bijstand aan te houden. Daarbij is van belang dat niet valt te verwachten dat appellant binnen afzienbare termijn over een geldige verblijfstitel zal beschikken. Appellant heeft ook geen termijn genoemd waarbinnen de door hem gestelde duidelijkheid valt te verwachten.


4.3.

Het beroep van appellant op artikel 8 van het EVRM kan niet slagen. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1259) kan, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, dit niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. De vraag of appellant aan artikel 8 van het EVRM eventueel aanspraken kan ontlenen, kan daarom in het kader van de WWB in het midden worden gelaten. Het beroep van appellant op artikel 3 van het EVRM slaagt naar vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2615) om dezelfde redenen evenmin.


4.4.

Appellant heeft wel gesteld dat het onderzoek van het college onzorgvuldig is geweest en dat het college de verplichting tot evenredige belangenafweging heeft geschonden, maar hij heeft deze stellingen niet nader onderbouwd en deze zijn ook niet ter zitting toegelicht, zodat zij onbesproken blijven.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit brengt mee dat het verzoek van appellant om veroordeling van het college tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C.M.A.V. van Kleef



HD