Centrale Raad van Beroep, 09-09-2015 / 15-1413 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3127

Inhoudsindicatie
Beoordeling nieuwe besluit van 8 mei 2015. Overtreding inlichtingenverplichting door niet melden werkzaamheden. Objectief en subjectief te verwijten. Geen situatie aan de orde waarin had kunnen volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Het Uwv was in dit geval dan ook gehouden om appellant een boete op te leggen. De boete zou in beginsel moeten worden vastgesteld op 50% van € 81,-, en door afronding resulteren in een bedrag van € 50,-. Volstaan is met een boete van € 40,-. Deze boete is hier passend en geboden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-16
Zaaknummer
15-1413 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/1413 WW, 15/3940 WW

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 januari 2015, 14/2929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 mei 2015 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Partijen hebben op elkaars standpunt gereageerd. De Raad heeft enkele stukken ambtshalve aan het dossier toegevoegd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 14 februari 2014 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien en over de periode van 7 oktober 2013 tot en met 13 oktober 2013 een bedrag van € 81,- bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd.


1.2.

Bij een ander besluit van 14 februari 2014 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 150,- wegens schending van zijn inlichtingenplicht. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat appellant zijn gewerkte uren bij MF Uitzendbureau in de periode van 7 oktober 2013 tot en met 13 oktober 2013 niet aan het Uwv heeft doorgegeven.


1.3.

Bij besluit van 1 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het boetebesluit van 14 februari 2014 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het boetebesluit van 14 februari 2014 herroepen, aan appellant een boete opgelegd van € 80,- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en beslissingen gegeven tot vergoeding van kosten in bezwaar en beroep verleende rechtsbijstand en griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de opgelegde boete van € 150,- niet evenredig is, omdat er eerder sprake is geweest van slordigheid of onachtzaamheid dan van een opzettelijk en frauduleus handelen. Daarbij komt, aldus de rechtbank, dat de overtreding van de inlichtingenplicht slechts eenmalig heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de rechtbank een boete van € 80,- evenredig en passend geacht.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank had moeten volstaan met een waarschuwing nu uit de feiten kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een vergissing zonder enige opzet en het de eerste keer is geweest dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft overtreden.


3.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) heeft het Uwv bij besluit van 8 mei 2015 de boete nader bepaald op € 40,-.

3.3.

Desgevraagd heeft appellant de Raad meegedeeld dat hij zich niet kan verenigen met een boete van € 40,- en dat het Uwv had moeten volstaan met een waarschuwing. Appellant heeft tevens gevraagd of de berichtgeving in de pers van 30 mei 2015 over op te leggen boeten na de wijzigingen in de WW per 1 juli 2015 bij een onjuiste opgave van inkomsten tot gevolg heeft dat zijn boete komt te vervallen. Het Uwv heeft hierop afwijzend gereageerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het besluit van 8 mei 2015 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.


4.2.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en de uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete als hier aan de orde wordt verwezen naar de overwegingen 5.4 en 7.1 tot en met 7.9 van de in 3.2 genoemde uitspraak.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft overtreden doordat hij het Uwv niet heeft gemeld dat hij in de periode van 7 oktober 2013 tot en met 13 oktober 2013 werkzaamheden heeft verricht via MF Uitzendbureau. Hiervan kan appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Op de inkomstenformulieren staat duidelijk vermeld dat appellant alle gewerkte uren moet opgeven aan het Uwv.


4.4.

De mogelijkheid om in plaats van een boete te volstaan met een schriftelijke waarschuwing is volgens artikel 27, vierde lid, van de WW alleen aanwezig wanneer de overtreding van artikel 25 van de WW niet heeft geleid tot een onrechte of een te hoge uitkering. Bij benadelingsbedragen lager dan € 40,- volgt het Uwv een bestendige gedragslijn dat ook dan met een waarschuwing wordt volstaan (zie rechtsoverweging 5.5 van de in 3.2 genoemde uitspraak). Beide situaties zijn hier niet aan de orde. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die het Uwv ertoe hadden moeten brengen om in dit geval van het opleggen van een boete aan appellant af te zien. In brieven van 8 en 19 juni 2015 heeft het Uwv desgevraagd uiteengezet dat de sanctionering van overtredingen van de in artikel 25 van de WW neergelegde inlichtingenverplichting per 1 juli 2015 onverkort blijft gelden op basis van de uitgangspunten voor boeteoplegging geformuleerd in de uitspraak genoemd in 3.2. Anders dan appellant heeft bepleit was het Uwv in dit geval dan ook gehouden om appellant een boete op te leggen.


4.5.

Over de hoogte van de boete wordt het volgende overwogen.


4.6.

In verband met de overtreding van de inlichtingenverplichting geldt dat in dit geval geen opzet of grove schuld is aangetoond. Van verminderde verwijtbaarheid is geen sprake. De door appellant gestelde omstandigheid dat het de eerste keer is dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft overtreden, maakt dit niet anders. Uit wat is overwogen in overweging 7.7 van de in 3.2 genoemde uitspraak volgt dat de boete voor overtreding van de inlichtingenverplichting dan in beginsel zou moeten worden vastgesteld op 50% van € 81,-. Dit zou met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten door afronding op een veelvoud van € 10,- resulteren in een bedrag van € 50,-. Het Uwv heeft ervan afgezien de boete af te ronden op € 50,-. Volgens het Uwv is een boete van € 50,- niet evenredig en is volstaan met een boete van € 40,-. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij zijn overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven de Raad geen aanleiding om van een ander bedrag dan € 40,- uit te gaan. Deze boete is hier passend en geboden.


5. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de rechtbank het bedrag van de boete te hoog heeft vastgesteld. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij aan appellant een boete is opgelegd van € 80,-. Het beroep tegen het besluit van 8 mei 2015 is ongegrond.


6. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 735,- aan kosten voor rechtsbijstand. De door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling blijft in stand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant een boete is opgelegd van € 80,-;
  • - verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 8 mei 2015 ongegrond;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 735,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) P. Boer




NW