Centrale Raad van Beroep, 03-02-2015 / 14-1708 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:313

Inhoudsindicatie
Het college heeft de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5 Awb terecht buiten behandeling gesteld. Appellante heeft in hoger beroep volstaan met verwijzing naar de in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-03
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
14-1708 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1708 WWB

Datum uitspraak: 3 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

12 februari 2014, 13/1936 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is, gevoegd met de zaken 13/5686 WWB, 13/5687 WWB, 14/1343 WWB en 14/1367 WWB, ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 9 december 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 10 september 2012 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend met als gewenste ingangsdatum 4 augustus 2012. Voor de voorgeschiedenis van deze aanvraag verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden in de zaken 13/5686 WWB, 13/5687 WWB en 14/1343 WWB. Met deze uitspraak staat de intrekking en terugvordering van de aan appellante en haar ex-partner verleende bijstand over de periode van 27 april 2010 tot en met 8 februari 2012, alsmede de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 10 februari 2012 naar de norm voor gehuwden in rechte vast. De aanvraag van 10 september 2012 ziet op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 11 september 2012, waarop zij is verschenen. Bij brief van 1 oktober 2012 heeft het college appellante meegedeeld dat zij niet alle gegevens had aangeleverd. Het college heeft appellante in de gelegenheid gesteld ontbrekende stukken over te leggen, waaronder bankafschriften van de rekening op haar naam met nummer [nummer 1] en de rekeningen op naam van haar dochter,[dochter], met nummers [nummer 2] en

[nummer 3]. In deze brief heeft het college meegedeeld dat de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten als appellante de gevraagde gegevens niet voor 22 oktober 2012 aanlevert.


1.3.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de gevraagde informatie niet of onvolledig heeft verstrekt.


1.4.

Bij besluit van 16 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het voor het college van belang was om gegevens over een langere periode dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag op te vragen. Dit gelet op de eerdere procedures waarin appellante niet alle gegevens heeft verstrekt. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante onder meer een aantal afschriften van de rekeningnummers genoemd onder 1.2 niet heeft aangeleverd. Deze bankafschriften zijn van essentieel belang voor de beoordeling van de aanvraag om bijstand. Nu appellante niet of niet tijdig de betreffende bankafschriften heeft overgelegd, was het college bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de bankafschriften wel heeft aangeleverd of dat het college in eerdere procedures kennis heeft genomen van de gevraagde bankafschriften.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft in hoger beroep volstaan met verwijzing naar de in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden. Zij heeft niet aangegeven waarom de verwerping van de gronden van het beroep door de rechtbank niet juist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank, en de in 2 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust, en maakt deze tot de zijne.


4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C. Moustaïne




HD