Centrale Raad van Beroep, 17-09-2015 / 13/6984 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3166

Inhoudsindicatie
Beoordeling. Omvang geding. Geen sprake van een situatie waarin de Brummen-rechtspraak van toepassing is. B-score voor gedrag wordt gehandhaafd. Het op onaanvaardbare wijze bejegenen van belangrijke externe relatie van de gemeente en het daarbij vroegtijdig verlaten van de vergadering is voldoende laakbaar om een B-score op te baseren. B-score voor contact houdt geen stand. De Raad voorziet zelf en stelt een C-score vast. Eindoordeel “onvoldoende” kan geen stand houden, aangezien van de vijf onvoldoende gezichtspunten alleen nog een B-score voor gedrag resteert.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-17
Publicatiedatum
2015-10-06
Zaaknummer
13/6984 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/6984 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 november 2013, 13/251 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [naam gemeente] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.F. Sijben, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. A.L.W.G. Houtakkers, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sijben. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Houtakkers, L.T.J.M. Bongarts, ing. J.B. Katerberg en R.W.A. Wetzels.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was sinds januari 2008 werkzaam als [naam functie] bij de gemeente [naam gemeente] . Bij besluit van 27 juli 2011 is een beoordeling vastgesteld over zijn functioneren gedurende het tijdvak 15 maart 2010 tot

15 april 2011. Daarbij is zijn functioneren met betrekking tot de afzonderlijke gezichtspunten als volgt beoordeeld: D (ruim voldoende/goed) voor kennis, C (voldoende) voor zelfstandigheid en kwaliteit, B (onvoldoende/ten dele) voor gedrag, uitdrukkingsvaardigheid, kwantiteit en houding, en A (onvoldoende/geheel niet) voor contact. Het samenvattend eindoordeel luidt: “De houding en het gedrag van (appellant) begint onaanvaardbare vormen aan te nemen, waardoor zijn inzetbaarheid en productiviteit sterk vermindert. De met name genoemde excessen verantwoorden als eindoordeel: onvoldoende.” Het college heeft bij de beoordeling het Beoordelingsreglement Gemeente [naam gemeente] 2005 (Beoordelingsreglement) gehanteerd.


1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 12 maart 2012 heeft het college het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Daarbij zijn de B-scores voor gedrag en houding gehandhaafd, is de A-score voor contact gewijzigd in B en zijn de B-scores voor uitdrukkingsvaardigheid en kwantiteit gewijzigd in C.


1.3.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 12 oktober 2012, 12/798, geoordeeld dat de B-score voor gedrag voldoende is onderbouwd, reeds gelet op het plichtsverzuim dat de rechtbank Maastricht heeft aangenomen in haar eerdere uitspraak van 25 mei 2012, 11/1693. De B-scores voor contact en houding en de C-score voor kwantiteit heeft zij onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het besluit van 12 maart 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.


1.4.

Bij zijn nieuwe besluit van 20 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college, met een wijziging van de motivering, voor houding alsnog een score C toegekend en het bezwaar tegen de B-score voor contact en de C-score voor kwantiteit ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard; zij zag geen aanleiding voor het oordeel dat de beoordeling op onvoldoende gronden zou berusten.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De omvang van het geding in hoger beroep


3.1.

Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de resterende onvoldoende scores, te weten een B voor gedrag en voor contact, en op het in het primaire besluit van 27 juli 2011 geformuleerde samenvattend eindoordeel, dat sindsdien ongewijzigd is gebleven.


3.2.1.

Het college heeft erop gewezen dat appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 oktober 2012. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank expliciet geoordeeld dat de B-score voor gedrag voldoende is onderbouwd, en heeft zij het samenvattend eindoordeel in stand gelaten. Nu die B-score voor gedrag en het samenvattend eindoordeel “onvoldoende” bij het bestreden besluit door het college impliciet zijn gehandhaafd, en de rechtbank in de aangevallen uitspraak geen oordeel over deze besliscomponenten heeft gegeven, heeft het college met een beroep op de zogenoemde Brummen-rechtspraak betoogd dat appellant deze besliscomponenten - althans de B-score voor gedrag - in hoger beroep niet meer kan aanvechten. Appellant heeft daar tegenover gesteld dat de gehanteerde beoordelingscriteria niet los van elkaar zijn te zien; het gaat om een samenstel van besliscomponenten dat in onderling verband steeds onderdeel is geweest van de discussie.


3.2.2.

De Raad is met appellant van oordeel dat bij een beoordeling als hier in geding geen sprake is van een situatie waarin de Brummen-rechtspraak van toepassing is; hij heeft daartoe het volgende overwogen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid. Het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. In lijn met deze rechtspraak, waarbij het accent wordt gelegd op het totaal van de beoordeling en in mindere mate op de juistheid van alle afzonderlijke besliscomponenten, is de Raad van oordeel dat de verschillende besliscomponenten van de beoordeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zodat aan appellant niet het recht ontzegd kan worden een besliscomponent als “gedrag”, waartegen hij in een eerder stadium reeds gronden heeft ingebracht, in hoger beroep opnieuw aan de orde te stellen.


De B-score voor gedrag


3.3.1.

Appellant heeft betoogd dat de beoordeling in hoger beroep van het onderdeel gedrag beperkt moet blijven tot hetgeen de rechtbank daarover in rechtsoverweging 6 van haar onherroepelijke uitspraak van 12 oktober 2012 heeft overwogen, te weten dat het aan appellant verweten plichtsverzuim, zoals vastgesteld door de rechtbank in haar uitspraak van 25 mei 2012, reeds voldoende onderbouwing oplevert voor de B-score voor dit gezichtspunt. Appellant bestrijdt dat het in de uitspraak van 25 mei 2012 vastgestelde plichtsverzuim een toereikende onderbouwing vormt voor deze B-score, nu in diezelfde uitspraak is vastgesteld dat de disciplinaire bestraffing met een berisping onevenredig was aan de aard en ernst van dat plichtsverzuim.


3.3.2.

De Raad volgt appellant hierin niet. Uit de uitspraak van 25 mei 2012 kan niet een bindend rechtsoordeel van de rechtbank worden afgeleid, dat aan de bredere motivering die in het besluit op bezwaar van 12 maart 2012 aan de B-score voor gedrag ten grondslag is gelegd geen betekenis zou toekomen. De door de rechtbank gebruikte bewoordingen “reeds gelet hierop…” sluiten immers niet uit dat andere elementen uit de motivering van het bestreden besluit relevant kunnen zijn. Die andere elementen kunnen dus ook in het onderhavige hoger beroep door de Raad worden beoordeeld.


3.3.3.

Voorts kan uit de uitspraak van 25 mei 2012 geenszins worden afgeleid dat de rechtbank het als plichtsverzuim aangemerkte gedrag, te weten het tijdens een vergadering op onaanvaardbare wijze bejegenen van een belangrijke externe relatie van de gemeente, als een bagatel heeft beschouwd. Het door appellant erkende gedrag hield concreet in het vroegtijdig verlaten van de vergadering van het evenemententeam op 26 januari 2011, na tegen de desbetreffende relatie te hebben gezegd: “Iemand die er zo bij zit en zo zijn zaak verkoopt, daar wil ik niets mee te maken hebben”. Ook de Raad acht dit gedrag voldoende laakbaar om daarop een B-score te baseren, welke score blijkens de toelichting van het college gezien moet worden als een ernstige waarschuwing dat verbetering noodzakelijk is. Daarbij neemt de Raad nog in aanmerking dat appellant ook is aangesproken op zijn rigide houding in vergaderingen van het verkeersveiligheidsoverleg en het verkeersarrangement Engwegen. De stelling van het college dat appellant zich ook aan buitensporig privégebruik van de werkcomputer heeft schuldig gemaakt acht de Raad echter onvoldoende aannemelijk gemaakt.


De B-score voor contact


3.4.

Met betrekking tot het gezichtspunt contact is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de B-score in het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd is. De score is ten dele gebaseerd op - door appellant overigens betwiste - voorvallen die, naar het college zelf erkent, plaatsgevonden hebben voorafgaand aan de beoordelingsperiode. Daarbij merkt de Raad op dat aan appellant over die voorafgaande beoordelingsperiode ondanks genoemde voorvallen voor contact een D-score werd toegekend, hetgeen op zijn minst twijfel doet rijzen aan het aandeel van appellant in die voorvallen. Dat appellant tijdens de in geding zijnde boordelingsperiode vanwege die voorvallen noodgedwongen op een andere kamer geplaatst werd levert op zichzelf geen minpunt op dat een B-score zou kunnen rechtvaardigen. Dat appellant zich tijdens de beoordelingsperiode afstandelijker naar collega’s is gaan gedragen, door niet meer mee te doen aan het bij toerbeurt ophalen van koffie en thee, levert naar het oordeel van de Raad op zichzelf evenmin een minpunt op. Dat appellant vanwege zijn Duitse achtergrond af en toe Nederlandse woorden “verduitst” was wellicht voor het gezichtspunt “kwaliteit van het werk” relevant geweest. De Raad ziet hierin echter onvoldoende grond voor een onvoldoende score op “contact”. Dat appellant deze verduitsing zou plegen om in contacten met externe relaties kracht bij te zetten aan zijn ideaalbeeld van Duitsland ten nadele van Nederland, heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt. De Raad concludeert dat de B-score voor dit gezichtspunt niet in stand kan blijven. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en een score C toe te kennen voor het gezichtspunt contact.


Het samenvattend eindoordeel “onvoldoende”


3.5.

Uit het voorgaande volgt dat van de vijf onvoldoende gezichtspunten in het primaire besluit alleen nog een B-score voor gedrag resteert; de overige gezichtspunten zijn thans met C-scores en een D-score gewaardeerd. Dit betekent tevens dat het in het primaire besluit geformuleerde samenvattend eindoordeel “onvoldoende” geen stand kan houden, evenmin als het bestreden besluit, voor zover daarbij dit eindoordeel is gehandhaafd. Volgens artikel 5, tweede lid, van het Beoordelingsreglement zou een waardering “voldoende” op zijn plaats zijn. De Raad ziet aanleiding ook op dit punt zelf in de zaak te voorzien.


4. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 november 2012 gegrond en vernietigt dat

besluit voor zover daarbij de score B voor contact en het samenvattend eindoordeel zijn

gehandhaafd;

- herroept het besluit van 27 juli 2011voor wat betreft de score voor contact en het

samenvattend eindoordeel;

- stelt de score voor contact vast op C en stelt het samenvattend eindoordeel vast op

voldoende en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van

het besluit van 20 november 2012;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 395,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en C.H. Bangma en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) C. Moustaine



HD