Centrale Raad van Beroep, 11-09-2015 / 13-4685 WAO-T


ECLI:NL:CRVB:2015:3169

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Hoewel het Spaanse ouderdomspensioen enige malen door appellant is gemeld, is door het Uwv enige jaren lang geen enkele actie ondernomen. Een dergelijk stilzitten kan gevolgen hebben voor het antwoord op de vraag of het betrokkene al dan niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving (Richtlijn 3) en, daarmee, voor het al dan niet (volledig) gebruik maken van de bevoegdheid tot herziening en/of terugvordering. In het licht van Richtlijn 5 is verder van belang dat het in dit geval gaat om een buitenlandsituatie in samenhang met de samenloop van onderscheiden soorten pensioen, wat het - blijkbaar ook voor het Uwv - tot een complex geval heeft gemaakt. Ook dit kan meebrengen dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving. In het licht van de door appellant aangevoerde gronden, had een ruimere toetsing aan de Richtlijnen dan ook niet achterwege mogen blijven. Nieuw besluit op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-11
Publicatiedatum
2015-09-22
Zaaknummer
13-4685 WAO-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4685 WAO-T

Datum uitspraak: 11 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2013, 12/3152 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Spanje (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Voor appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren [in] 1951 en woonachtig in Spanje, ontvangt sinds 1983 een uitkering ingevolge de wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), sinds

10 januari 2006 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Bij brief gedateerd 18 augustus 2008 heeft appellant aan het Uwv laten weten dat hij sinds augustus 2008 een Spaans ouderdomspensioen ontvangt van € 490,- per maand. Op dit stuk is een aantekening geplaatst van een medewerker buitenland van het Uwv met de vraag of het Spaans pensioen moet worden meegenomen met de WAO en de vraag: korten of prorateren? In 2009 heeft appellant nogmaals opgave gedaan van het pensioen. In juni 2010 heeft het Uwv appellant verzocht om inlichtingen te verstrekken over dit pensioen. Appellant heeft aan dit verzoek voldaan.


1.3.

Bij besluit van 16 maart 2011 wordt de uitkering van appellant gekort, per

1 augustus 2008 met € 24,42 en per 1 april 2011 met € 25,16 per dag. Bij besluit van

28 maart 2011 wordt over de periode 1 augustus 2008 tot en met 30 juni 2010 € 12.946,88 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd.


2.1.

Nadat het bezwaar van appellant bij besluit van 30 juni 2011 niet-ontvankelijk was verklaard wegens termijnoverschrijding, heeft de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van

4 januari 2012 het beroep gegrond verklaard. Het Uwv heeft hierin berust.


2.2.

Ten gronde is in bezwaar aangevoerd dat appellant in augustus 2008 opgave heeft gedaan van de toekenning van het Spaanse pensioen, waarna het Uwv drie jaar heeft gewacht met het nemen van de beslissing tot herziening en terugvordering. Onder die omstandigheden is de herziening en intrekking met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het Uwv heeft niet vermeld op welke (wettelijke) grond de

WAO-uitkering met het Spaanse pensioen mag worden verminderd. Verwezen wordt verder naar de aantekening van de medewerker van het Uwv genoemd onder 1.2. Geconcludeerd wordt dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte teveel uitkering ontving. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels 2006), zou de uitkering daarom niet met terugwerkende kracht mogen worden herzien. Als grond wordt verder aangevoerd dat in de besluitvorming op geen enkele wijze blijkt van een belangenafweging. De betaling van een bedrag van rond € 13.000,00 is ingrijpend. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 7 juli 2007, (ECLI:NL:CRVB:2007:BB4762). Tot slot wordt een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol).


2.3.

Op 18 april 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Namens appellant is daar tevens een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Appellant heeft stukken overgelegd uit een tweetal vergelijkbare zaken, waarin het Uwv heeft afgezien van het herzien van de uitkering met terugwerkende kracht.


2.4.

Bij besluit van 16 mei 2012 is het bezwaar ongegrond verklaard. Over de herziening met terugwerkende kracht is opgemerkt dat de verwerking van de (tijdige) opgave van appellant weliswaar niet voortvarend ter hand is genomen, maar dat de periode vanaf augustus 2008 tot juli 2010 niet zodanig lang is dat alleen op grond van dat gegeven zou moeten worden afgezien van herziening met terugwerkende kracht. Uit hetgeen verder in bezwaar is aangevoerd, kan niet worden geconcludeerd dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen nu de in bezwaar aangevoerde zaken kennelijk een te ruime uitleg van het beleid ter zake bevatten. Het herzien van de uitkering met terugwerkende kracht, het terugvorderen van de teveel betaalde uitkering en de invordering daarvan, is niet zo bezwarend dat om die reden sprake is van een dringende reden om af te zien van herziening, terugvordering of invordering.


3.1.

In beroep zijn namens appellant de in bezwaar aangevoerde gronden in essentie herhaald. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel is namens appellant nog een besluit op bezwaar in een derde zaak overgelegd, gedateerd 3 oktober 2012, waarin het Uwv heeft afgezien van het herzien van de uitkering met terugwerkende kracht.


3.2.

Ter zitting van de rechtbank heeft het Uwv meegedeeld dat het Uwv sinds 2012 de Richtlijnen “redelijkerwijs duidelijk”, toepast zoals weergegeven in de uitspraak van de Raad van 5 november 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG3734). Deze Richtlijnen luiden als volgt:


“Voor de beoordeling of het betrokkene redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hij te veel uitkering ontving, zijn enkele richtlijnen opgesteld. De eerste twee richtlijnen zijn de hoofdregels; de andere vier hebben een verzwakkende of versterkende werking op de hoofdregels.


Hoofdregels:

- Richtlijn 1: Wanneer het bruto betaalde bedrag per dag 10% (of meer) meer bedroeg dan de verschuldigde bruto-uitkering, dan nemen wij in het algemeen aan dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel ontving. Hierbij gaan wij uit van 10% (of meer) van de verschuldigde uitkering. Deze richtlijn moet niet al te strikt op de norm van 10% worden beoordeeld. Er zijn situaties denkbaar waarin minder dan 10% teveel wordt betaald en het toch redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat er teveel betaald is. Aan de andere kant zijn er situaties denkbaar waarin meer dan 10% teveel wordt betaald en het betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat dit zo is.

- Richtlijn 2: Wanneer het bedrag aan uitkering(en), of - in geval van samenloop - het bedrag van inkomsten plus uitkering dat betrokkene ontvangt meer is dan wat hij voorheen aan inkomsten of aan inkomsten plus uitkering ontving, dan nemen wij aan dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk is.


Nadere beoordelingsregels:

- Richtlijn 3: Hoe langer betrokkene een te hoge betaling heeft ontvangen hoe minder het hem redelijkerwijs duidelijk zal zijn geweest dat hij te veel uitkering ontving.

- Richtlijn 4: Wanneer wij de informatie over het recht niet tijdig of onduidelijk verstrekken, is het lastiger om te stellen dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Als betrokkene bijvoorbeeld uitkering heeft ontvangen naar een te hoge grondslag maar de uitkering was gelijk aan het (gemiddelde) inkomen dat hij voorheen ontving én wij hebben geen of onjuiste informatie over de hoogte van de grondslag gezonden, dan kan niet gesteld worden dat betrokkene redelijkerwijs kon weten dat hij te veel uitkering ontving.

- Richtlijn 5: De complexiteit van een geval kan van invloed zijn op het begrip “redelijkerwijs duidelijk”. Als er bijvoorbeeld ingewikkelde berekeningen aan de orde zijn bij het bepalen van het recht op en de hoogte van de uitkering, of er is sprake van onregelmatige betalingen, dan kan dat een reden zijn dat het betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel ontving.

- Richtlijn 6: In uitzonderlijke situaties kunnen de persoonlijke omstandigheden van betrokkene een rol spelen, bijvoorbeeld als betrokkene niet over zijn volledige verstandelijke vermogens beschikt of wanneer van betrokkene meer dan normale wetskennis mag worden verwacht.”


In dit geval is volgens het Uwv alleen van belang wat onder Richtlijn 1 is vermeld.


3.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het door het Uwv op grond van artikel 36a van de WAO gevoerde beleid inzake onder meer herziening en intrekking van uitkeringen, dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. De “Richtlijnen” over het begrip “redelijkerwijs duidelijk” zijn aan te merken als een bestendige gedragslijn. Een zodanige gedragslijn is op één lijn te stellen met buitenwettelijk begunstigend beleid. Dergelijk beleid dient door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Getoetst wordt of een dergelijk beleid op een consistente manier is toegepast. Verwezen is naar de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2011, (ECLI:NL:CRVB:2011:BR5375). Volgens de rechtbank is niet gebleken dat in dit geval het Uwv de beleidsregels en richtlijnen niet consistent heeft toegepast. Onweersproken is dat appellant in de periode in geding aan pensioen meer dan 20% van het verschuldigde bedrag aan WAO-uitkering ontving. Gelet op de Richtlijnen kon het appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hem een te hoog bedrag aan WAO-uitkering werd verstrekt. Ook het beroep dat appellant heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel worden verworpen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken. Verworpen wordt ook de stelling van appellant dat de terugvordering in strijd zou zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol. Het beroep wordt ongegrond verklaard.


4.1.

In hoger beroep is primair aangevoerd dat de toetsing door de rechtbank aan de Richtlijnen over het begrip “redelijkerwijs duidelijk” onjuist heeft plaatsgevonden. In de Richtlijnen is sprake van zes beoordelingsregels, terwijl de rechtbank afhaakt na Richtlijn 1. Daar komt bij dat Richtlijn 1 zelf al aangeeft dat deze Richtlijn niet absoluut is. Appellant wijst er op dat het gaat om een complexe materie, die de normale wetskennis te boven gaat, blijkbaar ook voor het Uwv zelf (verwezen is naar de Richtlijnen 5 en 6). Temeer nu aanpassing van de uitkering is uitgebleven, ook na de opgaven van het pensioen door appellant, hoefde appellant niet te verwachten en te begrijpen dat het pensioen van invloed zou zijn op de hoogte van zijn WAO-uitkering (Richtlijnen 3 en 4). Volgens appellant kan de herziening van de WAO-uitkering dan ook eerst plaatsvinden op een datum in de toekomst, althans niet vóór de datum van de feitelijke effectuering per 1 juli 2010. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het beroep op de ingrijpendheid van de maatregel worden, gemotiveerd, herhaald. Er is sprake van dringende redenen waarom van terugvordering dient te worden afgezien.


4.3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.4.

Tussen partijen is primair in geschil of de rechtbank, in het voetspoor van het Uwv, op correcte wijze toepassing heeft gegeven aan de Richtlijnen “redelijkerwijs duidelijk”. Tussen partijen is niet in geschil dat het bij de Richtlijnen gaat om buitenwettelijke begunstigend beleid, dat door de bestuursrechter terughoudend dient te worden getoetst. In dit geval heeft het Uwv, toepassing gevend aan de Richtlijnen, volstaan met te verwijzen naar Richtlijn 1 van de Richtlijnen. Aan de in deze Richtlijn opgenomen tien-procents norm is als het ware absolute werking toegekend, hoewel de tekst van Richtlijn 1 daartoe geen grond biedt. Deze Richtlijn schrijft immers, gezien de bewoordingen, een veel genuanceerdere benadering voor. Aanknopingspunten voor de gevallen waarin zo’n meer genuanceerde benadering op zijn plaats is, zijn te vinden in de Richtlijnen 2 tot en met 6. Wat betreft de voorliggende zaak is door het Uwv niet bestreden dat, hoewel het Spaanse ouderdomspensioen enige malen door appellant is gemeld, door het Uwv enige jaren lang geen enkele actie is ondernomen. Een dergelijk stilzitten kan gevolgen hebben voor het antwoord op de vraag of het betrokkene al dan niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving (Richtlijn 3) en, daarmee, voor het al dan niet (volledig) gebruik maken van de bevoegdheid tot herziening en/of terugvordering. In het licht van Richtlijn 5 is verder van belang dat het in dit geval gaat om een buitenlandsituatie in samenhang met de samenloop van onderscheiden soorten pensioen, wat het - blijkbaar ook voor het Uwv - tot een complex geval heeft gemaakt. Ook dit kan meebrengen dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving. In het licht van de door appellant aangevoerde gronden, had een ruimere toetsing aan de Richtlijnen dan ook niet achterwege mogen blijven.


4.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit leidt tot een motiveringsgebrek. Het besluit is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten einde te komen tot een definitieve beslissing van het geschil ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb, het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.


Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) J.R. van Ravenstein




AP