Centrale Raad van Beroep, 18-09-2015 / 13/2919 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3203

Inhoudsindicatie
Weigering IVA-uitkering. Beroep ingesteld door werkgever. De inschatting van de verzekeringsartsen van de kans op herstel van de beperkingen van betrokkene berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden, zodat er geen aanleiding bestaat om het in het bestreden besluit vermelde standpunt van het Uwv over de duurzaamheid van de beperkingen van betrokkene voor onjuist te houden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-18
Publicatiedatum
2015-09-24
Zaaknummer
13/2919 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2919 WIA

Datum uitspraak: 18 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2013, 12/4594 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van Zon, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015. Namens appellante is verschenen mr. M.A.J. Schrover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, [naam betrokkene] , heeft laatstelijk gewerkt als transportplanner bij appellante. Op 20 september 2008 heeft betrokkene haar werkzaamheden gestaakt wegens pijnklachten en vermoeidheid. Bij besluit van 23 september 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 18 september 2010 op grond van artikel 54 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een WGA-uitkering.


1.2.

Op 23 januari 2012 heeft een herbeoordeling van betrokkene plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 27 januari 2012 melding gemaakt van fibromyalgie, een lichte artrose aan de duimen en mogelijk Complex Regionaal Pijn Syndroom (CRPS). De verzekeringsarts heeft in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ongewijzigde beperkingen opgenomen. De arbeidsdeskundige is in zijn rapport van 2 februari 2012 tot de conclusie gekomen dat het verlies aan verdienvermogen van betrokkene 100% blijft. Bij besluit van

7 februari 2012 heeft het Uwv betrokkene bericht dat de hoogte van haar uitkering niet wijzigt. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd dat betrokkene in aanmerking dient te worden gebracht voor een uitkering op grond van de in de Wet WIA vermelde inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

(IVA-uitkering).


1.3.

Met betrekking tot de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 22 augustus 2012 geconcludeerd dat er ruimte bestaat voor een gunstige prognose, niet dadelijk omdat een revalidatietraject of multidisciplinaire therapie wordt ingezet, maar omdat de aard van de aandoeningen fibromyalgie en CRPS een bijzonder samenstel van beperkingen met zich brengt, die alle door pijn worden gestuurd en beperkt. Het effect van pijn op de beperkingen is niet alleen afhankelijk van therapie. Ook autogene activering is van belang. Bij de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 27 november 2012 overwogen dat er bij betrokkene redenen zijn de beperkingen niet blijvend te achten, ook al blijven de pijnziekten: daar waar pijnen kunnen afnemen, kunnen ook beperkingen afnemen. De verzekeringsarts heeft verwezen naar de brief van klinisch psycholoog

D.F. Berlet van 2 september 2011, waarin zij de positieve invloed vermeldt die psychotherapie had op de depressie en acceptatie.


2.2.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht en op goede gronden betrokkene niet in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op de informatie uit de behandelend sector, uit kon gaan van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid van betrokkene zal optreden.


3.1.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft gesteld dat fibromyalgie een chronische aandoening is. Betrokkene heeft alle behandelmethodes doorlopen. Toch blijven de klachten en beperkingen in stand en zijn deze verergerd. Op basis van autogene activering kan niet worden geconcludeerd dat er een meer dan geringe kans op herstel is.


3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 27 juni 2013 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

In hoger beroep is in geschil of appellante per datum in geding, 7 februari 2012, gezien haar medische situatie, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een IVA-uitkering.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een motivering vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten geuite verwachting dat ten tijde in geding een relevante verbetering van de (arbeids)belastbaarheid van betrokkene te verwachten was en dat deze verwachting berustte op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij betrokkene aan de orde waren. Betrokkene is op 22 augustus 2012 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien. Op basis van de eigen bevindingen en de informatie van de behandelend sector is deze verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat ruimte bestaat voor een gunstige prognose. In een rapport van 27 november 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht dat de gebruikelijke standaard ter bepaling van de duurzaamheid van de beperkingen is gevolgd. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een nader rapport van 27 juni 2013 gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van betrokkene te verwachten was. De Raad ziet geen aanleiding de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Ook uit de beschikbare informatie van de behandelend sector volgt niet dat er op de datum in geding geen kans op verbetering van de belastbaarheid van betrokkene was.


4.5.

Gelet op hetgeen in 4.4. is overwogen berust de inschatting van de verzekeringsartsen van de kans op herstel van de beperkingen van betrokkene per 7 februari 2012 op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden, zodat er geen aanleiding bestaat om het in het bestreden besluit vermelde standpunt van het Uwv over de duurzaamheid van de beperkingen van betrokkene voor onjuist te houden.


4.6.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.5. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 18 september 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) W. de Braal




NW