Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/6327 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3296

Inhoudsindicatie
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de verrekening in stand is gelaten en voor zover het de berekening van de wettelijke rente betreft. Nader besluit meegenomen in beoordeling. Verrekening is alleen mogelijk wanneer daarvoor een expliciete wettelijke basis aanwezig is. De Raad gaat ervan uit dat dit ook geldt waar het gaat om verplichtingen die door een bestuursrechter zijn opgelegd. Het college was bevoegd om de vordering die appellante op het college had, te verrekenen met de vordering die het college op appellante had. Het college heeft de wettelijke rente onjuist berekend door uit te gaan van nettobedragen. Opdracht nieuw besluit aan college. Pkv en gr. recht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/6327 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/6327 WWB, 15/32 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 oktober 2014, 14/676 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 18 november 2014 (nader besluit) ingezonden.

Appellante heeft nadere stukken ingebracht. Het college heeft, desgevraagd, daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.1.

De Raad heeft - voor zover van belang - bij uitspraak van 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3515, bepaald dat het college de door appellante geleden renteschade wegens het niet tijdig beslissen op de bijstandsaanvraag van 14 juli 2009 dient te vergoeden op de wijze zoals is vermeld in 4.21. Deze overweging luidt, voor zover van belang, als volgt:

“[...] de wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig wat daarover is overwogen in de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, LJN BV1958. De datum van ingang van de wettelijke rente is 1 november 2009.”

De Raad heeft tevens het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,- en bepaald dat het college aan appellante griffierechten van in totaal € 156,- dient te vergoeden.


1.1.2.

Bij uitspraak van eveneens 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3563, heeft de Raad, voor zover van belang, het college veroordeeld tot betaling aan appellante van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten bedrage van € 2.000,- en tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1.888,-. Tevens heeft de Raad bepaald dat het college aan appellante griffierechten van in totaal € 153,- dient te vergoeden.


1.2.

Op 25 juni 2013 heeft mr. Faber het college verzocht de toegekende schadevergoeding, de proceskostenvergoedingen en de griffierechten naar de derdenrekening van haar kantoor over te maken tot een bedrag van in totaal € 7.028,- en ook de verschuldigde wettelijke rente naar deze rekening over te maken.


1.3.

In reactie op dit verzoek heeft het college appellante bij besluit van 15 juli 2013 meegedeeld besloten te hebben de vordering die appellante op het college heeft met betrekking tot de onder 1.1.1 en 1.1.2 genoemde posten volledig te verrekenen met vorderingen die het college op appellante heeft, waaronder een vordering van € 6.123,08 op grond van toepassing van artikel 58 van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.4.

Op 3 oktober 2013 heeft het college met toestemming van appellante een bedrag van

€ 940,- betaald aan Essent ter aflossing van een schuld die zij daar had. Bij besluit van

18 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

15 juli 2013 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college vastgesteld dat het op grond van de onder 1.1.1 en 1.1.2 genoemde uitspraken € 7.031,15, inclusief de verschuldigde wettelijke rente tot een bedrag van € 2,15, verschuldigd is aan appellante, dat het bedrag van € 7.031,15 door de betaling aan Essent verminderd is tot € 6.091,15 en dat deze vordering van appellante met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de WWB wordt verrekend met de onder 1.3 genoemde vordering van het college op appellante.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het college niet bevoegd was de aan appellante toegekende proceskosten te verrekenen met de vordering van het college op appellante, omdat niet zij maar de rechtshulpverlener aanspraak heeft op vergoeding van deze proceskosten.


2.2.

Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de overige bedragen die het college aan appellante is verschuldigd op grond van de uitspraken van de Raad van 18 juni 2013 overwogen dat artikel 4:85, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de weg staat aan de verrekening van die bedragen op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB en dat deze bepaling, die op 1 juli 2013 in werking is getreden, bij gebreke van specifiek overgangsrecht directe werking heeft.


2.3.

Wat de vaststelling van de wettelijke rente betreft, heeft de rechtbank overwogen dat haar niet is gebleken dat de verschuldigde rente onjuist zou zijn vastgesteld en dat van verkeerde bedragen is uitgegaan.


3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit te kennen gegeven dat de proceskosten waarin het college bij de uitspraken van 18 juni 2013 is veroordeeld en de griffierechten die het college diende te vergoeden tot bedragen van in totaal € 4.720,- en € 309,- betaalbaar zijn gesteld. Voorts heeft het college bij dit besluit het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2013 gegrond verklaard in die zin dat de - volgens het college - op dat moment nog bestaande vordering van appellante op het college van € 1.062,15 wordt verrekend met de onder 1.3 genoemde openstaande vordering van het college op appellante.


4. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de verrekening van de in 2.2 bedoelde bedragen die het college is verschuldigd aan appellante in stand is gelaten en voor zover het de berekening van de wettelijke rente betreft.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.


De verrekening


5.2.

Appellante heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat, gelet op artikel 4:85, derde lid, van de Awb, het college niet bevoegd is de bedragen te verrekenen die het college aan appellante is verschuldigd op grond van de in 1.1.1 en 1.1.2 genoemde uitspraken van de Raad. Titel 4.4, waarin artikel 4:93 van de Awb is opgenomen, is immers, zo stelt appellante, ingevolge artikel 4:85, derde lid, van de Awb niet van toepassing op uitspraken van de bestuursrechter. Dit betekent dat de bij die uitspraken aan appellante toegewezen bedragen niet op grond van artikel 4:93, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 60a, vierde lid, van de WWB kunnen en mogen worden verrekend met de in 1.3 genoemde vordering van het college op appellante.


5.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In zijn - ter zitting van de Raad aan appellante voorgehouden - uitspraak van 22 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3493, heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat verrekening van geldschulden die voortvloeien uit door de bestuursrechter opgelegde verplichtingen mogelijk is, mits daarvoor een wettelijke basis aanwezig is. De desbetreffende overwegingen luiden als volgt:

“4.4. Uit hetgeen in 4.3 is overwogen blijkt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen dat er steeds een expliciete wettelijke grondslag dient te zijn voor verrekening van een bestuursrechtelijke geldschuld met een bestaande vordering. [...] De redenen die de wetgever ertoe hebben gebracht om een wettelijke grondslag verplicht te stellen, gelden in beginsel in gelijke mate voor bestuursrechtelijke geldschulden waarop titel 4.4 van de Awb niet van toepassing is. [...]

4.5.

In deze zaak gaat het om verplichtingen die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd. Ingevolge artikel 8:85 (lees: 4:85), derde lid, van de Awb is titel 4.4 daarop niet van toepassing. Zoals hierboven in 4.4 is overwogen, wil dit niet zeggen dat voor verrekening van dit soort geldschulden de eis van een wettelijke grondslag niet geldt. Ook overigens zijn daarvoor in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden. Uit blz. 21 van de MvT blijkt dat de wetgever ervan heeft afgezien om titel 4.4 ook te doen gelden voor verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd omdat de voor die schulden reeds bestaande invorderingsregeling in artikel 8:76 van de Awb als juist en toereikend is aangemerkt. De in artikel 8:76 voorziene tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken is met terzijdestelling van de eis van een wettelijke grondslag voor verrekening niet gediend. De Raad gaat er thans dan ook van uit dat ook waar het gaat om verplichtingen die door een bestuursrechter zijn opgelegd geldt dat verrekening alleen mogelijk is wanneer daarvoor een expliciete wettelijke basis aanwezig is.”


5.4.

Deze overwegingen spreken voor zich. De Raad volstaat daarom met verwijzing daarnaar en ziet in wat appellante op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen.


5.5.

Appellante heeft voorts, evenals in beroep, aangevoerd dat, nu artikel 60a, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 juli 2013 in werking is getreden, terwijl zowel de uitspraken met executoriale titel als het verzoek om uitbetaling van de bij die uitspraken aan appellante toegekende bedragen dateren van vóór die datum, het college niet gerechtigd was om op grond van die bepaling tot verrekening over te gaan.


5.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) is artikel 60a, vierde lid, van de WWB gewijzigd, waarmee een extra mogelijkheid tot verrekening is gecreëerd. Op grond van die bepaling kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de WWB. Bij Besluit van 24 juni 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2013, Stb. 2013/261, is artikel 60a, vierde lid van de WWB met ingang van 1 juli 2013 in werking getreden. Vaststaat dat ten aanzien van deze bepaling niet in overgangsrecht is voorzien. Indien, zoals hier aan de orde, niets is bepaald omtrent de werking van een nieuwe wettelijke regel geldt, zoals aanwijzing 166, eerste lid, van de geldende tekst van de Aanwijzingen voor de Regelgeving (aanwijzingen) vermeldt, de hoofdregel van onmiddellijke ofwel exclusieve werking: een nieuwe regel is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Daaruit volgt dat het college vanaf 1 juli 2013 ook bevoegd is vorderingen te verrekenen waarvan de verschuldigdheid vóór 1 juli 2013 is vastgesteld. In artikel 166, tweede lid, van de aanwijzingen is opgenomen dat indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, dit uitdrukkelijk wordt bepaald. Daarvan is niet gebleken. Ook overigens wordt in wat door appellant naar voren is gebracht geen aanleiding gezien om van genoemde regel af te wijken. Dat zowel de in 1.1.1 en 1.1.2 genoemde uitspraken als het verzoek om uitbetaling van de bij die uitspraken aan appellante toegekende bedragen dateren van vóór 1 juli 2013 doet er dus niet aan af dat het college bevoegd was om de vordering die appellante uit hoofde van de bij die uitspraken toegekende schadevergoedingen op het college had te verrekenen met de vordering die het college uit hoofde van artikel 58 van de WWB op appellante had.


Berekening wettelijke rente


5.7.1.

Appellante heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958, dat het college de wettelijke rente over de periode van juli tot en met oktober 2009 (renteperiode) ten onrechte niet heeft berekend over de voor haar geldende bruto-uitkeringsbedragen in die periode. Uitgaande van die bedragen, bedroeg de verschuldigde rente over de renteperiode op 18 augustus 2015 € 22,88.


5.7.2.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtspraak waarnaar appellante verwijst inzake het gebruik van brutobedragen bij de berekening van de wettelijke rente niet van toepassing is, aangezien de bijstand, in tegenstelling tot alle andere sociale zekerheidsuitkeringen, een netto-uitkering is. Appellante heeft in 2009 gekregen waar zij recht op had, zodat van een fiscaal verschil geen sprake is.


5.8.

Het in 5.7.2 weergegeven standpunt van het college is niet juist. De Raad heeft in zijn onder 1.1.1 genoemde uitspraak voor de berekening van de wettelijke rente immers uitdrukkelijk verwezen naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958, waarin, voor zover hier van belang, het volgende is overwogen: “Zoals de Raad eerder heeft uitgesproken, moet bij de berekening worden uitgegaan van het bruto-bedrag van de betrokken termijn.” De Raad heeft ook in andere uitspraken waarin wettelijke rente over bijstandsuitkeringen aan de orde is, verwezen naar zijn hiervoor genoemde uitspraak van 25 januari 2012, dan wel expliciet overwogen dat bij de berekening van de wettelijke rente moet worden uitgegaan van het brutobedrag van de betrokken termijn. Zie voor dit laatste de uitspraak van 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3807. Dat er geen sprake is van een fiscaal nadeel zoals het college stelt doet, wat daar ook van zij, derhalve niet ter zake.


5.9.

Uit 5.8 volgt dat de op de wettelijke rente betrekking hebbende beroepsgrond slaagt. Door bij de berekening van de wettelijke rente uit te gaan van nettobedragen en niet van de in de renteperiode voor appellante van toepassing zijnde brutobedragen, heeft het college de wettelijke rente onjuist berekend. In zoverre is het bestreden besluit niet juist en kan het niet in stand blijven.


5.10.

De rechtbank heeft wat in 5.8 en 5.9 is overwogen niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het de wettelijke rente betreft.

Uit 5.2 tot en met 5.7 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige zal worden bevestigd.


5.11.

Gelet op 5.10 kan het nader besluit niet in stand blijven voor zover het de hoogte van de bij dat besluit vastgestelde vordering van het college op appellante betreft. Het college is daarbij immers uitgegaan van een aan appellante verschuldigd rentebedrag van € 2,15, wat niet juist is.


5.12.

Het college zal een nieuwe berekening van de toe te kennen wettelijke rente moeten maken. Er bestaat in dit geval geen aanleiding voor de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschilbeslechting. Bij de door het college uit te voeren berekening van de toe te kennen wettelijke rente gaat het immers slechts om een financiële uitwerking. De Raad zal het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen. Daarbij zal het college ook inzichtelijk moeten maken welke nettobedragen in de renteperiode van toepassing zijn.


6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de wettelijke rente betreft;

- vernietigt het besluit van 18 november 2014 voor zover het de hoogte van de bij dat besluit

vastgestelde vordering van het college op appellante betreft;

- draagt het college op in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren




HD