Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/5857 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3301

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verrekeningsbesluit. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/5857 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5857 WWB, 14/6068 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 september 2014, 14/1134 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. Yeniasci heeft een besluit van 26 september 2014 en een daartegen gericht bezwaarschrift ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Namens appellanten is mr. Yeniasci verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen sinds 22 september 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Nadat uit door appellante aangeleverde bankafschriften was gebleken dat stortingen op de bankrekeningen van appellanten waren gedaan, heeft een consulent buitendienst een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn diverse registers geraadpleegd en zijn appellanten gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 24 augustus 2011 en 12 september 2012. In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 9 oktober 2012 de bijstand van appellanten met ingang van 1 maart 2011 in te trekken. Tevens heeft het college de bijstand over de periode van

22 september 2009 tot en met 28 februari 2011 en de over de periode van 22 september 2009 tot en met 21 september 2010 verleende woonkostentoeslag ingetrokken. Bij hetzelfde besluit heeft het college de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand en woonkostentoeslag tot een bedrag van in totaal € 31.451,59 van appellanten teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft het college het verzoek van appellanten om een dwangsom wegens overschrijding van de wettelijke beslistermijn afgewezen.


1.4.

Bij besluit van 19 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten geen melding hebben gemaakt van de kasstortingen op hun bankrekeningen als gevolg waarvan het recht op bijstand gedurende de periode van 22 september 2009 tot 1 maart 2011 en vanaf 1 maart 2011 niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij niet tevens is beslist op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 19 september 2013, en bepaald dat het college aan appellanten een dwangsom is verschuldigd van € 1.260,-. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak in plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit treedt en het bestreden besluit voor het overige in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen. In de periode van 1 september 2009 tot en met 3 februari 2011 hebben op de bankrekeningen van appellanten contante stortingen plaatsgevonden tot een bedrag van in totaal € 31.830,-. Voor een aantal stortingen gaat de rechtbank er vanuit dat het college deze destijds bij de aanvraag heeft beoordeeld, van de overige stortingen staat vast dat appellanten daarvan geen melding hebben gemaakt bij het college. Daarmee hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. De herkomst en het doel van de contante stortingen kunnen niet controleerbaar en verifieerbaar worden afgeleid uit de door appellanten overgelegde leenovereenkomsten. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


3. Bij besluit van 26 september 2014 (verrekeningsbesluit) heeft het college met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de WWB de aan appellanten toegekende dwangsom ten bedrage van € 1.260,- verrekend met de onder 1.2 genoemde nog openstaande vordering van het college op appellanten. Nu appellanten bij brief van 21 oktober 2014 het besluit van

26 september 2014 hebben betwist maakt het op grond van artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht deel uit van het geding in hoger beroep.


4. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het bestreden besluit daarbij in stand is gelaten. Appellanten hebben, zo is ter zitting vastgesteld, dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Deze gronden komen er in de kern op neer dat de stortingen geleend geld van de vader van appellant betreffen.


4.1.

Tegen het verrekeningsbesluit hebben appellanten aangevoerd dat, gelet op hun financiële problemen, het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft kunnen maken.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De aangevallen uitspraak


5.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank, en in de overwegingen waarop dat oordeel rust, en maakt deze tot de zijne.


5.2.

Uit 5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal dan ook worden bevestigd.


Het verrekeningsbesluit


5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het college bevoegd was de aan appellanten toekomende dwangsom te verrekenen met de in 1.2 genoemde vordering van het college op appellanten. De gestelde, maar niet onderbouwde financiële problemen van appellanten leveren geen grond op voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik heeft kunnen maken. Gelet hierop zal het beroep tegen het verrekeningsbesluit ongegrond worden verklaard.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 september 2014 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren




HD