Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/288 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3304

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten van wassen van kleding. Geen mogelijkheid familie in te schakelen, want de zoon van betrokkene weigert dit te doen. Vaker wassen van kleding: geen medische noodzaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/288 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/245 met annotatie van H. van Deutekom
  • USZ 2015/383 met annotatie van I.M. Lunenburg
Uitspraak

14/288 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 december 2013, 13/3104 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van

West-Brabant als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van West-Brabant worden met ingang van 1 januari 2015 de taken van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur (college) op het gebied van werk en inkomen uitgevoerd door het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur). In deze uitspraak worden onder appellant zowel het college als het dagelijks bestuur verstaan.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. Z. Yeral, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M. Verdaas. Namens betrokkene is verschenen mr. Yeral.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene en zijn echtgenote verblijven in een zorginstelling. Hun zoon, [naam zoon] (B), heeft namens betrokkene en zijn echtgenote op 17 september 2012 bijzondere bijstand voor het wassen van de kleding van betrokkene en zijn echtgenote (bewassingskosten) aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college een medisch onderzoek laten verrichten door Ch.O.J. van der Plas, als arts verbonden aan de GGD West-Brabant

(GGD-arts). De GGD-arts heeft op 31 oktober 2012 rapport uitgebracht. Daarin is onder het kopje ‘bevindingen’ onder meer vermeld dat betrokkene en zijn echtgenote in een verpleegafdeling in een verzorgingshuis verblijven, dat zij ten gevolge van hun ouderdom en daarmee gepaard gaande lichamelijke klachten een zeer beperkte mobiliteit hebben en dat bij betrokkene geen sprake is van een aandoening die het nodig maakt zijn kleding vaker te wassen dan algemeen gebruikelijk is. Voorts is vermeld dat, volgens de tijdens het spreekuurbezoek aanwezige schoondochter van betrokkene, de meerkosten niet liggen in een hogere frequentie van het wassen van de kleding, maar in het feit dat de wasservice van het verpleeghuis via het bedrijf [naam bedrijf] erg duur is, wat wordt bevestigd door een geraadpleegde medewerker van het verpleeghuis. Onder het kopje ‘bespreking’ is vermeld dat er geen medische indicatie is voor het verstrekken van bijzondere bijstand, maar dat er ook andere redenen kunnen zijn voor het vergoeden van hoge waskosten uit de bijzondere bijstand.


1.3.

Bij besluit van 21 november 2012 heeft appellant, onder verwijzing naar het advies van de GGD-arts van 31 oktober 2012, de aanvraag afgewezen.


1.4.

Bij besluit van 16 april 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Er is namelijk geen medische noodzaak voor het vaker wassen van de kleding van betrokkene. Voorts kan betrokkene voor het wassen van de kleding een beroep doen op familieleden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene voor het wassen van zijn kleding geen beroep kan doen op familie. Nu het uitbesteden van het wassen aan een wasservice tot aanzienlijke meerkosten leidt, heeft appellant ten onrechte gesteld dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is. De rechtbank heeft niet zelf in de zaak voorzien. Zou hiervan sprake zijn, dan dient de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten mogelijk als voorliggende voorziening te worden beschouwd. Het is aan appellant om dit te onderzoeken, waartoe een aanvullend medisch onderzoek is aangewezen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat betrokkene voor het wassen van zijn kleding wel een beroep kan doen op zijn familie. Betrokkene kan daarvoor een beroep doen op zijn zoon. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij zich in het bestreden besluit mocht baseren op het advies van de GGD-arts. B heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat een medische noodzaak ontbreekt voor het vaker moeten wassen van de kleding van betrokkene, omdat betrokkene gezond is en geen medicijnen gebruikt. Betrokkene heeft zijn stelling in beroep dat hij lijdt aan incontinentie, als gevolg waarvan zijn kleding vaker moet worden gewassen, niet onderbouwd met een medisch advies of een verklaring van de huisarts. Het ligt dan ook niet op de weg van appellant om een aanvullend medisch onderzoek bij betrokkene te verrichten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft kort voor de zitting naar voren gebracht dat inmiddels uit onderzoek is gebleken dat betrokkene en zijn echtgenote vanaf mei 2000 beschikken over vermogen in de vorm van onroerend goed in Suriname en dat dit vermogen aanzienlijk hoger is dan de in de situatie van betrokkene van toepassing zijnde vermogensgrens. Appellant betoogt dat daarmee sprake is van een nieuwe grond die aan de toekenning van bijzondere bijstand in de weg staat. Het standpunt dat betrokkene beschikt over te veel vermogen is echter niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en zal, gelet op het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om die reden buiten bespreking worden gelaten.


4.2.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.


Uitbesteden van was


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene vanwege het feit dat hij in een zorginstelling is opgenomen niet zelf de was kan doen en dit moet uitbesteden aan derden. Evenmin is in geschil dat betrokkene ten tijde van de aanvraag gebruik maakte van een externe wasservice, dat de kosten daarvan hoger zijn dan als hij de was zelf zou doen en dat deze (meer)kosten, althans voor zover het gaat om een voor een huishouden als dat van betrokkene gebruikelijke hoeveelheid kleding, in zijn individuele geval noodzakelijk waren. Tussen partijen is in geschil of tevens aan de voorwaarde is voldaan dat de betreffende kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Wat appellant heeft aangevoerd, komt erop neer dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, omdat betrokkene voor het wassen van zijn kleding een beroep kan doen op zijn familie. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft betrokkene echter aannemelijk gemaakt dat hij geen mogelijkheden heeft om zijn kleding door familie te laten wassen. Tussen partijen is niet in geschil dat het enige familielid voor wie het praktisch gezien mogelijk zou zijn de was voor betrokkene te doen, B is. B heeft echter uitdrukkelijk verklaard niet bereid te zijn de kleding van betrokkene te wassen. Niet valt in te zien, zoals de vertegenwoordiger van appellant ter zitting ook heeft erkend, dat betrokkene op één of andere manier zou kunnen afdwingen dat B zijn kleding voor hem wast. In dit geval bestaat dus slechts een louter theoretische mogelijkheid om de was door familie te laten doen. De beroepsgrond dat betrokkene voor het wassen van zijn kleding een beroep kan doen op familie en dat dus geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, slaagt daarom niet.


Vaker wassen van kleding


4.4.

De beroepsgrond dat geen grond aanwezig is voor de aan appellant gegeven opdracht om aanvullend medisch onderzoek te doen, treft wel doel. Appellant heeft zich voor zijn standpunt dat er geen medische noodzaak is voor het vaker wassen van de kleding van betrokkene mogen baseren op het advies van de GGD-arts van 31 oktober 2012. Niet is gebleken dat het GGD-advies, wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud, niet deugdelijk is. Uit het medisch advies blijkt dat de GGD-arts de medische en sociale situatie van betrokkene tijdens een spreekuurbezoek op 29 oktober 2012 met betrokkene, zijn echtgenote en zijn schoondochter heeft besproken. Daar is gesteld noch gebleken dat betrokkene een aandoening heeft die het nodig maakt zijn kleding vaker te wassen dan gebruikelijk. De schoondochter heeft juist verklaard dat de meerkosten niet in een hogere frequentie van wassen van de kleding liggen, maar in het feit dat de wasservice van de zorginstelling erg duur is. Op 30 oktober 2012 heeft de GGD-arts voorts telefonisch overleg gevoerd met een verzorgende van de afdeling van de zorginstelling waar betrokkene verblijft. Betrokkene heeft naderhand wel gesteld dat hij aan incontinentie lijdt, maar heeft geen medische gegevens ter onderbouwing van zijn stelling overgelegd. De door betrokkene eerst bij het verweerschrift overgelegde zorgplannen van 30 augustus 2012 en 18 februari 2014 bieden voorts onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de GGD-arts. Daarbij is van belang dat in de zorgplannen is vermeld dat betrokkene incontinent is voor urine en gebruik maakt van geschikt incontinentiemateriaal. Het gestelde causaal verband tussen de incontinentie en de extra bewassingskosten is daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook thans is daarom geen grond aanwezig om aan de juistheid van het GGD-advies te twijfelen.


4.5.

Uit 4.4 vloeit voort dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, naast de meerkosten van het inschakelen van een externe wasservice voor de reguliere was, nog extra bewassingskosten heeft moeten maken als gevolg van zijn medische toestand.



Conclusie


4.6.

De rechtbank heeft niet onderkend wat in 4.4 en 4.5 is overwogen. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene voor het wassen van zijn kleding geen beroep kan doen op familie, houdt echter, gelet op 4.3, wel stand. De aangevallen uitspraak moet daarom met verbetering van gronden worden bevestigd. Appellant dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, thans met inachtneming van deze uitspraak. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om tot finale geschilbeslechting te kunnen komen, gelet op het in 4.1 genoemde standpunt van appellant dat er mogelijk nog andere gronden zijn die aan toekenning van bijzondere bijstand voor bewassingskosten in de weg staan, wat betrokkene heeft betwist.


4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd. Gelet op deze verbetering van gronden zal van appellant geen griffierecht worden geheven.


4.8.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.


5. Voor een veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep bestaat wel aanleiding. Deze kosten bedragen € 980,- voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant wordt opgedragen een

nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.M. Fleuren



HD