Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/189 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3308

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/189 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/189 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2013, 13/3211 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Op 15 juni 2015 heeft mr. P. Salim, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Namens appellante zijn verschenen mr. Salim en [naam ex-echtgenoot] (H), de ex-echtgenoot van appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 1 oktober 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woonde met haar kinderen op het adres [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Op een daartoe strekkende vordering van H heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, sector civiel, appellante bij vonnis van 17 november 2010 veroordeeld “om binnen zes weken na betekening van dit vonnis, de woning aan (het uitkeringsadres) te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van (H) te stellen op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte daarvan dat (appellante) niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 15.000,- en met machtiging van (H), voor zover vereist, zo (appellante) mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de nakoming te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv”.


1.2.

Naar aanleiding van een melding vanuit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) dat appellante per 12 januari 2011 is geëmigreerd naar Tunesië heeft het college de uitbetaling van de bijstand aan appellante vanaf 22 maart 2011 geblokkeerd. Vervolgens heeft het college bij besluit van 16 augustus 2011 (besluit 1), verzonden op 15 februari 2013, de bijstand van appellante met ingang van 12 januari 2011 ingetrokken en de over de periode van 12 januari 2011 tot en met 31 maart 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 2.950,46. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te maken aan het college, naar het buitenland is vertrokken. Bij besluit van

1 januari 2012 (besluit 2), eveneens verzonden op 15 februari 2013, heeft het college het bedrag van de terugvordering gebruteerd tot een bedrag van € 4.305,25 vanwege de door het college afgedragen belastingen en premies.


1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 en 2. Tijdens de hoorzitting op

25 april 2013 heeft appellante het volgende verklaard. Zij is wel op 1 januari 2011 naar Tunesië gegaan, maar alleen om de kinderen weg te brengen, en is op 4 januari 2011 weer teruggekeerd naar Nederland. Zij kon niet terugkomen naar het uitkeringsadres, omdat H haar via een gerechtelijke procedure uit de woning had laten verwijderen. Appellante heeft na terugkomst in Nederland drie dagen verbleven bij een vriendin in [woonplaats] . Daarna is appellante naar een andere vriendin in [woonplaats] gegaan, waar zij tot 15 maart 2011 is gebleven. Toen is zij teruggegaan naar het uitkeringsadres. H had appellante toestemming gegeven om weer op het uitkeringsadres te gaan wonen. Appellante wist niet dat zij was uitgeschreven uit de GBA. Dat is ten onrechte gebeurd. Appellante heeft niet doorgegeven dat zij feitelijk niet op het uitkeringsadres verbleef, omdat zij niet wist dat ze dat moest doen. Zij is slechts een paar dagen bij vriendinnen gebleven en meende dit niet door te hoeven geven.


1.4.

Bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van haar feitelijk vertrek van het uitkeringsadres, haar tijdelijk verblijf in Tunesië en haar verblijf elders. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, zoals ter zitting toegelicht, aangevoerd dat zij niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij slechts enkele dagen bij een vriendin heeft gelogeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 12 januari 2011 tot en met 16 augustus 2011.


4.2.

Vaststaat dat appellante na het in 1.1 vermelde vonnis de woning op het uitkeringsadres diende te verlaten. Appellante heeft het college niet geïnformeerd over haar (noodzakelijke) vertrek van het uitkeringsadres. Daarmee heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.3.

Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft. Appellante is daarin niet geslaagd. Appellante heeft weliswaar verklaard dat zij eerst bij vriendinnen heeft verbleven en vervolgens, vanaf 15 maart 2011, weer op het uitkeringsadres, maar zij heeft dit niet met enig concreet en verifieerbaar gegeven onderbouwd. Het ter zitting van de Raad gevoerde betoog dat wat in het verslag van de hoorzitting staat over het verblijf op adressen van vriendinnen niet klopt, slaagt niet. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de in het verslag van de hoorzitting van 25 april 2013 opgenomen verklaring van appellante geen juiste weergave vormt van wat zij tijdens de hoorzitting heeft verklaard.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) C. Moustaine



HD