Centrale Raad van Beroep, 29-09-2015 / 14/3081 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3309

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
14/3081 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3081 WWB, 14/3082 WWB

Datum uitspraak: 29 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 april 2014, 13/6841 en 13/6842 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 30 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie van appellanten zijn zeven kinderen geboren. Appellante heeft bij haar aanvraag opgegeven dat zij woont op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres), op welk adres zij met ingang van

8 april 2009 ook ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen). Appellante heeft tot 8 april 2009 samen met appellant ingeschreven gestaan in de GBA op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Appellant stond in de periode van 25 augustus 2009 tot 20 februari 2012 ingeschreven in de GBA op het adres [adres 3] te [plaatsnaam 1] en vanaf 20 februari 2012 op het adres

[adres 4] te [plaatsnaam 1] .


1.2.

Naar aanleiding van een melding van de politie Zuid-Holland-Zuid op 22 november 2011 dat in de woning van appellante op het uitkeringsadres een man is aangetroffen, waarover appellante verklaarde dat de man haar vriend was, hebben rechercheurs, werkzaam bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, standplaats [standplaats] , (rechercheurs) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de rechercheurs onder meer dossieronderzoek gedaan, registers geraadpleegd, buurtonderzoek gedaan, getuigen gehoord en appellante en appellant op 15 maart 2012 verhoord. De bevindingen van het onderzoek hebben de rechercheurs neergelegd in een rapport van 17 april 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om bij besluit van

15 maart 2012 de bijstand van appellante met ingang van die datum te beëindigen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.


1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur voorts aanleiding geweest om bij besluit van 16 april 2012 de bijstand van appellante met ingang van 30 maart 2009 in te trekken en de over de periode van 30 maart 2009 tot en met 14 maart 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 49.042,20. Bij besluit van 21 mei 2012 heeft het bestuur die kosten mede van appellant teruggevorderd.


1.5.

Bij besluit van 17 september 2013 (bestreden besluit) heeft het bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 16 april 2012 en 21 mei 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten beiden hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hebben gehad. In aanmerking genomen dat uit hun relatie kinderen zijn geboren, wordt een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen melding te maken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben erkend dat zij vanaf 10 januari 2012 een gezamenlijke huishouding voeren. Zij betwisten op de hierna te bespreken gronden echter dat zij ook in de daaraan voorafgaande periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 30 maart 2009 tot 10 januari 2012 (te beoordelen periode).


4.2.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.


4.3.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, is, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen.


4.5.1.

Appellanten hebben allereerst aangevoerd dat appellant niet aan de door hem op

15 maart 2012 tegenover de rechercheurs afgelegde verklaring kan worden gehouden, omdat hij onder druk een verklaring heeft afgelegd. Appellant stelt dat de rechercheurs hem hebben gezegd dat hij niet naar huis zou mogen en naar [plaatsnaam 2] zou moeten als hij geen verklaring zou afleggen.


4.5.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij van een later afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Anders dan appellanten hebben betoogd, bestaan in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dit uitgangspunt moet worden gemaakt. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat appellant aan het einde van het verhoor heeft verklaard dat hij niet onder druk is gezet, dat hij deze verklaring in alle vrijheid heeft afgelegd en dat hij nu op de blaren moet zitten, waarna hij deze verklaring heeft ondertekend. Appellant heeft geen klacht ingediend tegen de rechercheurs over de wijze van verhoren. Appellanten hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat appellant zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Daarnaast is de verklaring van appellant concreet, gedetailleerd en niet innerlijk tegenstrijdig.


4.6.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat zij in de te beoordelen periode hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning op het uitkeringsadres. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het bestuur dat appellanten vanaf 30 maart 2009 beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Daarbij wordt zwaarwegende betekenis toegekend aan de verklaring van appellant. Appellant heeft verklaard dat hij eigenlijk altijd op het uitkeringsadres was en dat zijn persoonlijke spullen ook allemaal op dat adres liggen. Hij heeft voor de woning aan de [adres 3] te [plaatsnaam 1] wel een huurcontract afgesloten, maar hij verbleef daar niet. Zijn dochter woonde daar en betaalde ook de huur van die woning. Appellant sliep op het uitkeringsadres. Hij heeft voorts verklaard dat hij vanaf de oplevering van de woning op het uitkeringsadres daar is gaan wonen.


4.7.

De verklaring van appellant wordt ondersteund door de verklaring van [naam huishoudelijke hulp] (K), die in 2010 in de weken 37 en 43 tot en met 51 in de woning op het uitkeringsadres als huishoudelijke hulp werkzaam is geweest. Zij heeft verklaard dat zij tijdens haar werkzaamheden op het uitkeringsadres zag dat appellant net uit bed was of aan de koffie zat. Zij heeft tijdens het schoonmaken toiletspullen van appellant in de badkamer en zijn kleding in de slaapkamer gezien. Ook zag zij dat appellant in de woning op het uitkeringsadres terug kwam van zijn werkzaamheden, zich omkleedde en weer vertrok naar zijn werkzaamheden.


4.8.

De verklaring van appellant dat hij niet in de woning aan de [adres 3] te [plaatsnaam 1] verbleef, komt bovendien overeen met de informatie van [naam verhuurder] , de verhuurder van die woning. Uit de informatie van [naam verhuurder] blijkt dat de dochter van appellanten woonde in de [adres 3] en de huur betaalde, zoals ook appellant heeft verklaard.


4.9.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de medewerkers van Jeugdzorg, die veelvuldig in de woning op het uitkeringsadres kwamen, niet zijn gehoord. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bestuur niet verplicht was navraag te doen bij Jeugdzorg. De onderzoeksbevindingen bieden immers reeds voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen appellanten op het uitkeringsadres. Daarbij stond het appellanten vrij om nadere informatie van Jeugdzorg in te brengen, maar ondanks de aankondiging dat dit alsnog zou gebeuren, hebben zij dit nagelaten.


4.10.1.

Appellanten hebben ten slotte aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van (mede)terugvordering af te zien. Appellanten beroepen zich op hun moeilijke financiële situatie.


4.10.2.

Het bestuur voert een actief intrekkings- en terugvorderingsbeleid, waarbij het uitgangspunt is dat het in voorkomende gevallen de bijstand intrekt of herziet en de teveel of ten onrechte verleende bijstand terugvordert, tenzij sprake is van dringende redenen als bedoeld in de rechtspraak van de Raad om van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) zijn dringende redenen slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien tot invordering wordt overgegaan. In dat kader hebben appellanten als schuldenaar de bescherming, of kunnen zij deze zo nodig inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als opgenomen in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) C. Moustaine



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




HD