Centrale Raad van Beroep, 23-09-2015 / 14/2222 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:3362

Inhoudsindicatie
Appellanten hebben geen schriftelijke overeenkomst (met zoon en schoondochter) afgesloten en geen declaraties overgelegd waaruit blijkt wanneer en hoeveel uur zorg er is verleend. Zij zijn tekort geschoten in de nakoming van de in de Regeling opgenomen verplichtingen. Het Zorgkantoor was bevoegd om het verleende pgb in te trekken en terug te vorderen, ook het verantwoordingsvrije deel daarvan. De leeftijd en zorgbehoevend van appellanten staat aan de terugvordering niet in de weg nu het pgb juist verleend is omdat zij zorgbehoevend zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-23
Publicatiedatum
2015-10-06
Zaaknummer
14/2222 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2222 AWBZ, 14/2223 AWBZ

Datum uitspraak: 23 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

25 maart 2014, 13/6000 en 13/6004 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Voor appellanten is verschenen mr. Boer. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

C.G.M. Bosma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende, nog van belang zijnde, feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 23 december 2011, zoals gewijzigd bij besluiten van 13 februari 2012 en 17 september 2012, is aan [appellant] (appellant) op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor persoonlijke verzorging van € 1.482,82. Het pgb is verleend onder het opleggen van de verplichting zich te verantwoorden over de besteding daarvan aan het Zorgkantoor. Van het bedrag hoefde € 250,- niet te worden verantwoord.


1.2.

Bij een tweede besluit van 23 december 2011, eveneens gewijzigd bij besluiten van 13 februari 2012 en 17 september 2012, is aan de echtgenote van appellant, [appellante] (appellante) voor het jaar 2012 ook een pgb verleend voor persoonlijke verzorging van € 1.482,82. Het pgb is verleend onder het opleggen van de verplichting zich te verantwoorden over de besteding daarvan aan het Zorgkantoor. Van het bedrag hoefde € 250,- niet te worden verantwoord.


1.3.

Bij brieven van 21 december 2012 heeft het Zorgkantoor aan appellanten bericht dat zij de besteding van het pgb voor 11 februari 2013 moesten verantwoorden voor het jaar 2012. Bij brieven van 14 maart 2013 en 4 april 2013 heeft het Zorgkantoor herinneringsbrieven gestuurd ter zake van de verantwoording.


1.4.

Bij twee besluiten, gedateerd op 24 mei 2013, heeft het Zorgkantoor het aan appellanten voor 2012 verleende pgb ingetrokken en de over 2012 aan hen betaalde voorschotten teruggevorderd. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Appellanten hebben daarbij aangevoerd dat zij de brieven en verleningsbesluiten met de daarin vermelde (verantwoordings)verplichtingen niet ontvangen hebben omdat zij per 1 januari 2012 van [H.] naar [woonplaats] verhuisd zijn. Het Zorgkantoor heeft die brieven en verleningsbesluiten naar het oude adres in [H.] gestuurd terwijl appellanten de verhuizing wel (telefonisch) hebben gemeld bij het Zorgkantoor.


1.5.

Naar aanleiding van de bezwaren heeft het Zorgkantoor appellanten in de gelegenheid gesteld alsnog de verantwoording over te leggen. Het Zorgkantoor heeft appellanten daarbij verzocht kopieën over te leggen van de zorgovereenkomsten, gespecificeerde nota’s of declaraties en betaalbewijzen (bankafschriften).


1.6.

Bij brief van 6 juli 2013 hebben appellanten twee op 6 juli 2013 opgemaakte schriftelijke verklaringen naar het Zorgkantoor gestuurd. [X.], de zoon van appellanten, verklaart dat hij van appellant eenmalig en contant € 1.250,- heeft ontvangen voor verleende persoonlijke verzorging. De schoondochter van appellanten, [Y.], verklaart dat zij eenmalig en contant van haar schoonmoeder, appellante, € 1.250,- heeft ontvangen voor verleende persoonlijke verzorging. Ook hebben appellanten een kopie overgelegd van twee bankafschriften waaruit blijkt dat in januari 2012 op drie dagen in totaal € 2.520,- van een bankrekening bij de SNS-Bank is afgehaald. Verder hebben appellanten in bezwaar aangegeven dat, omdat de zorg is verleend door hun zoon en schoondochter, er geen schriftelijke maar een mondelinge zorgovereenkomst is afgesloten.


1.7.

Bij twee besluiten van 14 augustus 2013 (bestreden besluiten) heeft het Zorgkantoor de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.


2. Appellanten zijn in beroep gegaan tegen de bestreden besluiten. De rechtbank heeft de beroepen in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het Zorgkantoor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten voor wat betreft het jaar 2012 met de door hen in bezwaar overgelegde verklaringen en bankafschriften niet hebben voldaan aan alle op hen rustende verplichtingen, die ook vermeld zijn in de eerste verleningsbeschikking van 23 december 2011. Deze is naar het adres in [H.] gestuurd toen appellanten daar nog woonden. Overigens is de rechtbank van oordeel dat appellanten door iemand te laten bellen naar het Zorgkantoor over de verhuizing, het risico hebben genomen dat het verhuisbericht niet zou doorkomen. De gevolgen hiervan dienen daarom voor rekening van appellanten te blijven. Met betrekking tot de door het Zorgkantoor gemaakte belangenafweging heeft de rechtbank geoordeeld dat de door appellanten aangevoerde feiten en omstandigheden niet maken dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot intrekking en terugvordering van de pgb’s heeft kunnen overgaan.


3.1.

Het hoger beroep van appellanten richt zich op de hiervoor onder 2 weergegeven overwegingen in de aangevallen uitspraak. Appellanten handhaven hun standpunt dat een mondelinge (zorg)overeenkomst tussen familieleden als een volwaardige overeenkomst dient te gelden. Er is door de zoon en schoondochter zorg verleend aan appellanten en daar stond een beloning tegenover, namelijk een eenmalige contante betaling. Het werd appellanten pas duidelijk dat een overeenkomst op schrift noodzakelijk was toen de aanzegging dat de pgb’s zouden worden teruggevorderd hen bereikte. Eerdere aanschrijvingen hebben hen niet bereikt doordat de telefonisch doorgegeven verhuizing niet was doorgekomen bij het Zorgkantoor.


3.2.

Appellanten stellen zich in hoger beroep tevens op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft miskend dat het Zorgkantoor het verantwoordingsvrije deel van de pgb’s niet bij de terugvordering had mogen betrekken.


3.3.

Tot slot betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het Zorgkantoor bij de afweging van de betrokken belangen niet voldoende heeft meegewogen dat het hier gaat om twee oude, zorgbehoevende mensen die van een minimuminkomen rond moeten zien te komen. Een volledige terugvordering is in dit kader onredelijk ten opzichte van (het belang van) appellanten.


3.4.

Het zorgkantoor heeft gemotiveerd verweer gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de AWBZ kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College voor Zorgverzekeringen (nu het Zorginstituut Nederland), overeenkomstig de in die regeling gestelde regels, subsidies verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak op grond van de AWBZ zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven. Deze ministeriële regeling is de Regeling subsidies AWBZ (Stcrt. 2005, 242, hierna de Regeling). In paragraaf 2.6 van de Regeling zijn bepalingen opgenomen over het persoonsgebonden budget.


4.1.2.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, zoals dit artikelonderdeel luidde ten tijde van belang wordt, voor zover hier van belang, bij de verlening van het netto pgb de verzekerde de verplichting opgelegd dat hij een schriftelijke overeenkomst sluit met de zorgverlener waarin ten minste, voor zover hier van belang, de volgende onder 1 en 2 genoemde afspraken zijn opgenomen:

“1. declaraties voor verleende zorg worden niet betaald indien zij niet binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend bij de verzekerde zijn ingediend;

2. een declaratie van een zorgverlener bevat een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het uurtarief, het aantal te betalen uren, het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer en de naam van de zorgverlener, en wordt door de zorgverlener ondertekend.”


4.1.3.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, zoals dit artikelonderdeel luidde ten tijde in geding, stelt de verzekerde, de in onderdeel c bedoelde overeenkomsten en declaraties, desgevraagd ter beschikking van het Zorgkantoor.


4.1.4.

Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan zolang de subsidie niet is vastgesteld de subsidieverlening intrekken, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.


4.1.5.

Ingevolge artikel 4:95 van de Awb kunnen betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom en kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.


4.2.1.

Appellanten hebben geen schriftelijke overeenkomst afgesloten en geen declaraties overgelegd waaruit blijkt wanneer en hoeveel uur zorg er is verleend. Uit de overgelegde kopie van de bankafschriften blijkt niet meer dan dat er in januari 2012 € 2.520,- per geldautomaat is opgenomen van een bankrekening. Appellanten zijn hiermee tekort geschoten in de nakoming van de op hen rustende en in artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling opgenomen verplichtingen. Wat appellanten hebben aangevoerd maakt niet dat zij van deze verplichtingen geen kennis hebben kunnen nemen of niet gehouden waren aan die verplichtingen te voldoen. Appellanten hebben nog aangevoerd dat het hen door de verhuizing niet tijdig duidelijk was dat een schriftelijke overeenkomst vereist was. Terecht heeft de rechtbank echter geconstateerd dat de toekenningsbeschikking met een weergave van de geldende verplichtingen, geadresseerd was naar het adres waar zij, voor de verhuizing, daadwerkelijk woonden.


4.2.2.

Het Zorgkantoor was gelet op het hiervoor overwogene op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b van de Awb bevoegd om het aan appellanten voor 2012 verleende pgb in te trekken.


4.3.1.

Het Zorgkantoor moet bij de discretionaire bevoegdheid om het pgb in te trekken, een afweging maken tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(en) en de gevolgen van de intrekking voor de ontvanger. Hierbij is tevens van belang de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten.


4.3.2.

Wat appellanten hebben aangevoerd brengt niet mee dat het Zorgkantoor niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Bij de afweging van de belangen heeft het Zorgkantoor in aanmerking kunnen nemen dat het Zorgkantoor op een verantwoorde en doelmatige manier moet omgaan met maatschappelijke middelen en dat appellanten met de door hen overgelegde stukken nagenoeg geen verantwoording hebben afgelegd over de besteding van de aan hen verstrekte pgb-gelden. Daarmee is onduidelijk (gebleven) of appellanten het pgb ook daadwerkelijk hebben besteed aan zorg.


4.4.

Appellanten hebben, gelet op de intrekking van de verleningsbesluiten, geen recht gehad op de hen bij voorschot uitgekeerde bedragen. Het Zorgkantoor was dan ook bevoegd deze bedragen terug te vorderen van appellanten. Door intrekking van de verleningsbeslissingen bestaat er geen recht (meer) op pgb, ook niet op het verantwoordingsvrije deel daarvan. Anders dan door appellanten is gesteld, is dit deel dan ook terecht niet buiten de terugvordering gehouden.


4.5.

De omstandigheid dat appellanten op leeftijd en zorgbehoevend zijn staat aan de terugvordering niet in de weg. Het pgb is hen nu juist verleend omdat zij zorgbehoevend zijn.


4.6.

Het feit dat appellanten van een minimum inkomen moeten rondkomen kan ook niet leiden tot het oordeel dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Daarbij is van belang dat het Zorgkantoor bereid is om een passende afbetalingsregeling te treffen en bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet.


4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.









BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) B. Fotchind




NK