Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 12-3833 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:338

Inhoudsindicatie
De bewijsmiddelen leveren, afzonderlijk en in samenhang bezien, niet - alsnog - een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Waterverbruik. Getuigenverklaringen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-11
Zaaknummer
12-3833 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3833 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juni 2012, 12/2567 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]te ’[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 27 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1805, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college een nader onderzoek verricht.

Het college heeft nadien zijn standpunt nader toegelicht en stukken ingediend.

Namens appellant heeft mr. C.I. Zaad, advocaat, zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellant is wederom verschenen, bijgestaan door mr. Zaad. Het college heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. W.S. van Tricht.

OVERWEGINGEN


1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 27 mei 2014 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat. Hij voegt daar het volgende aan toe.


1.1.

In zijn tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de bevindingen van de sociale recherche, neergelegd in het rapport van 10 mei 2011, onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het [adres] [nummer 24] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres).


1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college een nader onderzoek verricht. In dit kader is nadere informatie opgevraagd over het waterverbruik bij Evides (waterbedrijf), is [naam H] (H) opnieuw als getuige gehoord en zijn een neef van appellant, [naam S] (S), een vriendin van H, [B.] (B), en een voormalige bewoner van het [adres]

[adres] [nummer 26] te [plaatsnaam], [naam G] (G), als getuigen gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 augustus 2014. Het college stelt zich op basis van dit rapport op het standpunt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 15 februari 2012 in stand kunnen blijven.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

De Raad stelt vast dat het college met het onder 1.2 genoemde nader onderzoek het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 15 februari 2012 kleefde, niet heeft hersteld.


2.2.

Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen heeft H op 17 maart 2011 en 10 mei 2011 verklaard dat appellant één maand daadwerkelijk op het uitkeringsadres heeft gewoond en dat hij het adres nadien louter als postadres gebruikte. Appellant zou hem hiervoor eenmaal € 70,- hebben betaald, als compensatie voor de door H gederfde huursubsidie. H heeft op 8 juli 2014 verklaard bij zijn eerdere verklaringen te blijven.


2.3.

Getuige S heeft op 23 juli 2014 het volgende verklaard. Voor zover S weet, heeft H altijd alleen gewoond op het uitkeringsadres. S komt weleens bij H, bijvoorbeeld met verjaardagen. De keren dat S bij H kwam, woonde H alleen. Volgens S heeft appellant nooit bij H gewoond.

2.4.

Getuige B heeft op 24 juli 2014 het volgende verklaard. B heeft H ongeveer zeven maanden voor het huisbezoek op 11 februari 2011 ontmoet. Vanaf dat moment kwam B wekelijks bij H. In die periode bleef B soms ook wel eens twee of drie nachten bij H slapen. B heeft nooit iemand ontmoet met de naam van appellant. Ook niet in de woning bij H toen B bij H overnachtte of op bezoek was.


2.5.

Getuige G, vanaf 22 april 2010 woonachtig aan [adres], heeft op 31 juli 2014 het volgende verklaard. Volgens G woonden op het uitkeringsadres een man en een vrouw. De man was volgens G van Surinaamse afkomst en zij denkt dat de buurvrouw ook van Surinaamse afkomst was. Er woonden geen andere personen op het uitkeringsadres. Deze situatie is altijd zo geweest vanaf het moment dat G aan [adres] is komen wonen.


2.6.

Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen, bestaat op zichzelf bezien geen aanleiding om aan te nemen dat de verklaring van H in de onderhavige procedure niet bruikbaar is. De verklaring van H over het niet-wonen van appellant op het uitkeringsadres is voorts op zichzelf bezien voldoende specifiek en gedetailleerd om daaraan betekenis te kunnen toekennen.


2.7.

Uit de verklaringen van de getuigen S, B en G blijkt daarentegen onvoldoende of wat zij verklaren over het niet-wonen van appellant op het uitkeringsadres berust op concrete, feitelijke waarnemingen en niet slechts hun indruk is. In zoverre zijn deze getuigenverklaringen onvoldoende specifiek en gedetailleerd. Zo verklaart S dat appellant volgens hem nooit bij H op het uitkeringsadres heeft gewoond, verklaart B dat zij bij H nooit iemand met de naam van appellant heeft ontmoet, en verklaart G dat volgens haar op het uitkeringsadres alleen een man en een vrouw van Surinaamse afkomst woonden. Dat deze getuigen appellant niet hebben waargenomen op het uitkeringsadres, zegt dan ook onvoldoende over het niet-wonen van appellant op dit adres. Voorts moet hierbij in aanmerking worden genomen dat S in de in geding zijnde periode ’weleens’ bij H kwam, dat B pas vanaf juli of augustus 2010 tot 11 februari 2011 wekelijks bij H kwam en dat G eerst vanaf 22 april 2010 aan [adres] woonde. Aan de nadere verklaring van H, alsmede aan de verklaringen van de getuigen S, B en G komt daarom niet die betekenis toe die het college daaraan heeft toegekend.


2.8.

De nadere gegevens van het waterbedrijf over het waterverbruik op het uitkeringsadres van gemiddeld 105 mᶾ per jaar, duiden op een huishouden van minimaal twee personen. In aanmerking genomen dat aan het standpunt van het college ten grondslag ligt dat appellant in de in geding zijnde periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, kunnen deze gegevens niet als ondersteunend bewijs dienen voor het standpunt van het college.


2.9.

Gelet op 2.6 tot en met 2.8 leveren de hierin besproken bewijsmiddelen, afzonderlijk en in samenhang bezien, niet - alsnog - een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.


2.10.

Nu het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft kunnen herstellen en niet aannemelijk is dat een dergelijk herstel alsnog mogelijk is, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 16 mei 2011 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 15 februari 2012.


2.11.

De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen tot de hieronder vermelde beslissing.


3. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep (een punt voor het beroepschrift en een punt voor de zitting) en hoger beroep (een punt voor het hoger beroepschrift, een punt voor de zitting, een halve punt voor de zienswijze en een punt voor de nadere zitting), in totaal begroot op € 2.695,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 februari 2012 gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 februari 2012, voor zover daarbij het besluit van 16 mei 2011,

voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 juni

2009 tot en met 31 januari 2011 en de terugvordering tot een bedrag van € 22.470,48, is

gehandhaafd;

- herroept het besluit van 16 mei 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

besluit van 15 februari 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.695,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 157,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C.H. Rombouts en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




De griffier is buiten staat te ondertekenen



HD