Centrale Raad van Beroep, 02-10-2015 / 14/2876 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3385

Inhoudsindicatie
Intrekking WIA-uitkering. Onjuiste medische grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-02
Publicatiedatum
2015-10-08
Zaaknummer
14/2876 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2876 WIA

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 april 2014, 13/3194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.G. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam geweest als administratief medewerkster, heeft zich met ingang van 3 februari 2011 ziek gemeld met psychische klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2012 vastgesteld dat voor appellante met ingang van

31 januari 2013 op grond van de Wet WIA recht ontstaat op een loongerelateerde

WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


2. In bezwaar heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is zodat zij recht heeft op een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van verzekeringsarts

mr. J.T.J.A. Klijn en een brief van de aan GGZ inGeest verbonden sociaal psychiatrisch verpleegkundige M. Vermeulen van 21 maart 2013 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 april 2013 geoordeeld dat de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 november 2012 te zware beperkingen heeft aangenomen voor appellante en in lijn daarmee een nieuwe FML met minder vergaande beperkingen opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellante in staat is geacht. Bij brief van 22 mei 2013 heeft het Uwv appellante over de voorgenomen wijziging van het standpunt geïnformeerd. Appellante heeft hiertegen aanvullende bezwaren kenbaar gemaakt. Bij rapport van 28 juni 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven hierin geen aanleiding te zien zijn standpunt te herzien. Bij besluit van 3 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2012 herroepen en vastgesteld dat appellante met ingang van 31 januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is, onder de voorwaarde dat aan appellante met ingang van diezelfde datum een uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt toegekend.


3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat ten aanzien van de gestelde diagnosen geen sprake is van een verschil in inzicht. Zo is zowel in de brief van GGZ inGeest van 21 maart 2013 als in het rapport van psychiater G. Venderbosch van 3 mei 2012 op as II de diagnose persoonlijkheidsstoornis NAO met cluster C kenmerken gesteld. Dit is ook overeenkomstig het behandelplan GGZ uit 2011, waar alleen de accenten wat anders werden gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapport van 17 april 2013 van diezelfde diagnosen uitgegaan, maar maakt een andere inschatting van de belastbaarheid en komt daardoor tot minder forse beperkingen dan de verzekeringsarts. De rechtbank acht het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellante op de hoorzitting heeft gesproken en de informatie van de behandelende sector in zijn beoordeling heeft meegewogen, afdoende onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding appellant te volgen in haar stelling dat zij psychisch en lichamelijk als verdergaand beperkt moet worden beschouwd.


3.2.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond appellante niet in staat te achten tot het vervullen van de voorgehouden functies.


4. In hoger beroep heeft appellante in essentie de beroepsgronden herhaald. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een expertise-rapport van psycholoog

E.H. Ameling van 17 oktober 2013 in geding gebracht.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag berust. In dat verband wordt allereerst overwogen dat de primaire verzekeringsarts zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Naast dossierstudie heeft hij appellante tijdens een spreekuurcontact zelf medisch onderzocht en daarbij kennis genomen van de medische informatie van GGZ inGeest. Daaruit blijkt dat appellante een moeilijke jeugd heeft gehad waarbij sprake is geweest van affectieve verwaarlozing en een niet veilige gezinssituatie. Daardoor heeft appellante recidiverende spanningsklachten en depressieve klachten ontwikkeld en is sprake van vermijdende, dwangmatige trekken. Het TIQ is vastgesteld op 83. Bij onderzoeken valt op dat appellante een laag werktempo heeft, de betekenis van bepaalde woorden niet kent en het moeilijk vindt om met nieuwe/onbekende dingen bezig te gaan. De aandacht kan niet goed worden vastgehouden en appellante is erg onzeker. Gesproken is van een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur. Verder blijkt uit de stukken dat appellante in 1997 via een zogenoemde Melkertbaan als administratief medewerkster is gaan werken. Nadat dit contract in 2004 werd omgezet in een reguliere dienstbetrekking vielen de werkzaamheden, met name het computerwerk, appellante steeds zwaarder. De bedrijfsarts acht appellante niet in staat te werken vanwege de psychische problematiek en de beperkte vermijdende copingstijl. Op basis van de combinatie van psychische aandoeningen en eigenschappen heeft de verzekeringsarts appellante ernstig beperkt geacht voor arbeid op de vrije arbeidsmarkt. Er is volgens de verzekeringsarts sprake van fors verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek op grond waarvan hij appellante aangewezen heeft geacht op eenvoudig werk, in een beschutte werkomgeving of anderszins met frequente en langdurige coaching.


5.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van dossierstudie en aanwezigheid op de hoorzitting aanleiding gezien om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. In dat kader heeft hij te kennen gegeven dat over de prognose geen verschil van inzicht bestaat, maar dat de vraag is in hoeverre de beperkingen van appellante in het functioneren uitsluitend zijn bepaald door de persoonlijkheidsstoornis of door tekortkomingen in capaciteit bij een gebrekkige vooropleiding. Met het aannemen van forse beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren lijkt volgens hem de verzekeringsarts dat laatste aspect niet te hebben meegewogen. De door de verzekeringsarts gestelde beperkingen staan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in verhouding tot de gestelde diagnose en hij neemt op basis daarvan minder vergaande beperkingen aan. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde FML zijn geen beperkingen meer opgenomen op het gebied van vasthouden en verdelen van de aandacht, herinneren, de noodzaak van feedback en begeleiding, niet worden afgeleid, voorspelbare werksituatie en eigen gevoelens uiten, terwijl ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen en conflicthantering minder sterke beperkingen zijn opgenomen.


5.3.

De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn

- hierboven vermelde en als vergaand te beschouwen - conclusie ontoereikend heeft gemotiveerd, temeer omdat hij zich bij zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op een - in vergelijking tot de verzekeringsarts - summier onderzoek, aangezien hij appellante niet zelf medisch heeft onderzocht maar uitsluitend de hoorzitting heeft bijgewoond. De in hoger beroep overgelegde informatie van psycholoog Ameling, bevestigt voorts het door de verzekeringsarts beschreven beeld. De Raad is dan ook van oordeel dat de verzekeringsarts zijn conclusie inzake de belastbaarheid van appellante inzichtelijk en overtuigend heeft onderbouwd en dat in wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier tegenover heeft gesteld onvoldoende aanknopingspunten gevonden worden om aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen te twijfelen.


5.4.

Uit overwegingen 5.1, 5.2 en 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard wordt en dat het bestreden besluit vanwege een onjuiste medische grondslag dient te worden vernietigd. De Raad bepaalt dat appellante met ingang van 31 januari 2013 recht heeft op toekenning van de WGA-uitkering als vastgelegd in het besluit van 20 december 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 3 juli 2013.


6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 980,- voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.960,- (waarbij telkens 1 punt wordt toegekend voor indiening beroepschrift en 1 punt voor bijwonen van zitting, met een waarde per punt van € 490,-). Tevens komen de reiskosten in beroep en hoger beroep van in totaal € 40,40 voor vergoeding in aanmerking.




















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 juli 2013;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 3 juli 2013;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.000,40;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) I. Mehagnoul




AP