Centrale Raad van Beroep, 13-01-2015 / 13-6402 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:34

Inhoudsindicatie
Recht op bijstand zoals door appellante is aangevraagd. De levensvatbaarheid van de onderneming van appellante ten tijde van de aanvraag is door het college niet onderzocht. Gezien het korte tijdsverloop tussen de aanvraag van 7 augustus 2012 en de aanvraag van 3 april 2013 is aannemelijk dat de levensvatbaarheid op beide data niet wezenlijk verschilde. Voorts heeft het college geen aannemelijke verklaring kunnen geven waarom het in april 2013 aanwezige vermogen in zijn geheel is aangemerkt als voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijk vermogen, en waarom het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel niet. De Raad ziet in het voren overwogene aanleiding ook het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel aan te merken als voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijk vermogen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-13
Publicatiedatum
2015-01-16
Zaaknummer
13-6402 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/117
  • USZ 2015/47
Uitspraak

13/6402 WWB

Datum uitspraak: 13 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 oktober 2013, 13/2114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B. de Wijk, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Leenders en mr. A.H.G. van de Wijdeven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante exploiteert sinds 2001 een [bedrijf] onder de [handelsnaam]. Omdat appellante met haar onderneming onvoldoende inkomsten genereerde heeft zij op

7 augustus 2012 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.


1.2.

Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die zouden moeten leiden tot een wijziging van het eerder ter zake van hetzelfde doel genomen besluit van 3 juli 2012.


1.3.

Bij besluit van 1 maart 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

20 september 2012 ongegrond verklaard op de grond dat appellante beschikt over een vermogen van € 13.360,38, dat als niet noodzakelijk vermogen voor het bedrijf kan worden aangemerkt, en dat zij kan aanwenden om te voorzien in de kosten van haar levensonderhoud.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft in hoofdzaak aangevoerd dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het aanwezige vermogen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Ter onderbouwing van die grond heeft appellante een aantal stukken overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgend beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 7 van het Bbz 2004, voor zover van belang, wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het voor de uitoefening van het bedrijf of beroep noodzakelijke vermogen. In geschil is of het bij de aanvraag van appellante aanwezige vermogen als zodanig moet worden aangemerkt.


4.2.

Het college heeft ter motivering van het bestreden besluit volstaan met de overweging dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bij de aanvraag aanwezige vermogen noodzakelijk is voor de bedrijfsuitoefening. Ter zitting van de Raad heeft het college de afwijzing van de aanvraag nader gemotiveerd met het standpunt dat de onderneming van appellante ten tijde van de aanvraag onvoldoende activiteiten ontwikkelde. Verder is aangegeven dat indien het bedrijf van appellante wel voldoende activiteiten zou hebben ontwikkeld nog beoordeeld had moeten worden of het bedrijf van appellante levensvatbaar is. Ook de hoogte van het vermogen speelt bij de beantwoording van de in dit geding voorliggende vraag een rol, zonder dat is aangegeven op welke wijze. In ieder geval was het vermogen van appellanten ten tijde van de aanvraag naar de mening van het college te hoog. Reeds gelet op deze nadere, eerst ter zitting van de Raad gegeven motivering, is het bestreden besluit genomen in strijd met het motiveringsbeginsel.


4.3.

De nadere motivering kan echter evenmin de afwijzing van de aanvraag dragen. Appellante bestrijdt dat haar onderneming ten tijde van de aanvraag onvoldoende activiteiten ontwikkelde. Ter zitting van de Raad heeft zij verklaard, en door het college is niet betwist, dat zij in 2012, na controle van de belastingdienst, als zelfstandige is aangemerkt. Dat betekent dat zij in ieder geval aan het urencriterium van 1225 uur op jaarbasis voldoet. Het standpunt van het college dat het bedrijf van appellante ten tijde van de aanvraag geen of onvoldoende activiteiten ontwikkelde berust derhalve op een onjuiste grondslag. Verder is van belang dat het college naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellante van

4 april 2013, bij besluit van 2 juli 2013 aan haar over de periode van 4 april 2013 tot en met

3 oktober 2013 bijstand op grond van het Bbz heeft toegekend. Daarbij heeft het college het op dat moment aanwezige vermogen van € 7.333,- in zijn geheel aangemerkt als voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijk vermogen. Ter zitting van de rechtbank heeft het college meegedeeld dat bij dat besluit mede van belang was dat het bedrijf van appellante op dat moment wel levensvatbaar was.


4.4.

De levensvatbaarheid van de onderneming van appellante ten tijde van de aanvraag van

7 augustus 2012 is echter door het college niet onderzocht. Gezien het korte tijdsverloop tussen de aanvraag van 7 augustus 2012 en de aanvraag van 3 april 2013 is aannemelijk dat de levensvatbaarheid op beide data niet wezenlijk verschilde. Voorts heeft het college geen aannemelijke verklaring kunnen geven waarom het in april 2013 aanwezige vermogen in zijn geheel is aangemerkt als voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijk vermogen, en waarom het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel niet. De Raad ziet in het voren overwogene aanleiding ook het in augustus 2012 aanwezige vermogen in zijn geheel aan te merken als voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijk vermogen. Dat betekent dat de aanvraag van appellante ten onrechte is afgewezen.


4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Tevens zal het besluit van 20 september 2012 worden herroepen, aangezien dit besluit eveneens op een onjuist gebleken feitelijke grondslag berust. Aangezien niet is gebleken van overige beletselen voor het recht op bijstand, zal worden bepaald dat appellante vanaf 7 augustus 2012 recht heeft op bijstand zoals door appellante is aangevraagd.


4.6.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 maart 2013;

- herroept het besluit van 20 september 2012 en bepaalt dat appellante vanaf 7 augustus 2012

recht heeft op bijstand;

- bepaalt dat de deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 maart 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 162,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren




HD