Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 14/5005 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3411

Inhoudsindicatie
Terugvordering bijstand na ontvangen van erfenis. Geen dringende redenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/5005 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5005 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 juli 2014, 14/800 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tholen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V.P.G.M. Zomers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontvangt sinds 27 augustus 2004 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Bij besluit van 9 januari 2013 heeft het college met toepassing van het bepaalde in

artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, 1e van de WWB de gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd over de periode van 6 juni 2009 tot en met 19 mei 2010 tot een bedrag van € 8.646,90. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante op

17 februari 2012 de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 13.374,93, welk bedrag zij heeft geërfd van haar op 6 juni 2009 overleden vader. Bij de vaststelling van het terugvorderingsbedrag heeft het college het vrij te laten vermogen in aanmerking genomen.


1.3.

Bij besluit van 23 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 januari 2013 gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag verlaagd met een bedrag van € 726,97 op de grond dat het vermogen van appellante lager was dan berekend in het besluit van 9 januari 2013. In zoverre heeft het college het besluit van 9 januari 2013 aangepast.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft gesteld dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid tot terugvordering en een ruimere invulling had dienen te geven aan de belangenafweging. Appellante heeft het ontvangen bedrag uit de erfenis nodig als spaargeld voor de toekomst. Het college is ervan op de hoogte dat appellante niet geschikt is voor de arbeidsmarkt en altijd heeft gezorgd voor haar ouders. Het college had daarmee rekening moeten houden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het geschil spitst zich toe op de wijze waarop het college gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de kosten van de verleende bijstand terug te vorderen. Het college voert ter zake een beleid dat inhoudt dat die kosten worden teruggevorderd, tenzij dringende redenen


of bijzondere omstandigheden bestaan die maken dat van terugvordering moet worden afgezien.

4.2.

Het beleid valt binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De term ‘dringende redenen’ is in het beleid niet toegelicht. De rechtbank heeft gelet daarop terecht overwogen dat dringende redenen slechts kunnen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.


4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college in de feiten en omstandigheden die appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen heeft hoeven zien. Appellante heeft zelf verklaard dat zij niet in broodnood zal komen te verkeren als gevolg van de terugvordering en dat zij het geld van de erfenis voornamelijk nodig heeft als spaarpotje voor de toekomst. De wens van appellante om spaargeld of een vermogen op te bouwen vormt geen dringende reden als hiervoor bedoeld.


4.4.

Wat appellante naar voren heeft gebracht met betrekking tot de zorg voor haar ouders en haar ongeschiktheid voor de arbeidsmarkt leidt niet tot het oordeel dat het college bijzondere omstandigheden aanwezig had moeten achten op grond waarvan hij overeenkomstig het beleid had moeten afzien van de terugvordering.

4.5.

De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college wegens onevenredig nadelige gevolgen van de terugvordering voor appellante in afwijking van het beleid van terugvordering had moeten afzien. In dit verband is van belang dat een gedeelte van de erfenis onder het vrij te laten vermogen valt, zodat appellante nog de beschikking heeft over een deel van het betreffende bedrag.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.




(getekend) F. Hoogendijk



(getekend) C.M. Fleuren

HD