Centrale Raad van Beroep, 08-10-2015 / 14-3883 MAW


ECLI:NL:CRVB:2015:3438

Inhoudsindicatie
Inhouding loon. Aangezien betrokkene tot en met 31 juli 2013 aan de oproep op het werk te verschijnen geen gehoor heeft gegeven en hij bovendien voor appellant onbereikbaar was, heeft de periode waarin betrokkene zich aan zijn dienstverplichtingen heeft onttrokken voortgeduurd tot 1 augustus 2013, de dag waarop hij zich weer heeft gemeld. Op grond van artikel 18 van het Inkomstenbesluit militairen heeft betrokkene daarom over het tijdvak van 22 juli tot en met 31 juli 2013 geen aanspraak op inkomsten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-08
Publicatiedatum
2015-10-09
Zaaknummer
14-3883 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3883 MAW

Datum uitspraak: 8 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2014, 14/115 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Op verzoek van de Raad heeft appellant stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden en mr. L.H. Hoedemakers. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.G. Dudink, advocaat.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was werkzaam in de krijgsmacht als sergeant.


1.2.

Op 16 juli 2013 heeft betrokkene zich per sms ziek gemeld. Omdat zijn ziekmelding niet in overeenstemming met de Regeling ziek- en hersteldmelding defensiepersoneel was gedaan, heeft zijn leidinggevende hem eveneens per sms laten weten dat hij op 22 juli 2013 aanwezig moest zijn. Betrokkene is niet verschenen en was daarna telefonisch onbereikbaar. Aan betrokkene is op 25 juli 2013 een aangetekende brief verstuurd met de mededeling dat hij op 31 juli 2013 werd verwacht voor een gesprek. Betrokkene is op 1 augustus 2013 op het werk verschenen. Van 1 augustus 2013 tot 11 november 2013 heeft hij geen werkzaamheden verricht wegens ziekte.


1.3.

Uit de digitale loonstrook van 13 augustus 2013 blijkt dat het loon over de periode van

22 juli tot en met 31 juli 2013, een bedrag van netto € 613,17, niet is uitbetaald. Na bezwaar van betrokkene heeft de minister bij besluit van 26 november 2013 (bestreden besluit) deze inhouding van het loon met toepassing van artikel 18 Inkomstenbesluit militairen gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de inhouding van € 613,17 op het salaris van betrokkene herroepen. Omdat de afwezigheid van betrokkene in de periode voorafgaand aan 22 juli 2013 als geoorloofd is aangemerkt, ondanks dat betrokkene zich niet had ziek gemeld overeenkomstig de voorgeschreven procedure, had appellant volgens de rechtbank hem niet zonder nader onderzoek als ongeoorloofd afwezig mogen aanmerken. Appellant had onderzoek dienen te doen naar de situatie van betrokkene en of er redenen voor hem waren om zich wederom niet te houden aan de procedure. Daarvoor was te meer aanleiding omdat betrokkene aansluitend lange tijd geoorloofd afwezig is geweest wegens ziekte.


3. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat betrokkene een uitdrukkelijke dienstopdracht om op 22 juli 2013 te verschijnen niet heeft nageleefd. Volgens appellant was het de bedoeling met betrokkene te spreken over zijn eerdere onjuiste ziekmelding, zijn algehele situatie en zijn arbeidsmogelijkheden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 18 van het Inkomstenbesluit militairen dat als opschrift heeft “Ongeoorloofde afwezigheid” bepaalt dat voor elke volledige dag dat de militair zich aan zijn dienstverplichtingen onttrekt, hij geen aanspraak heeft op inkomsten. Op grond van artikel 114, derde lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht wordt onder ongeoorloofde afwezigheid mede verstaan de afwezigheid van de militair zolang deze nalatig is in de uitvoering van de bij algemene maatregel van rijksbestuur opgelegde verplichtingen of de door Onze Minister van Defensie vastgestelde regelen voor het geval van verhindering tot dienstverrichting.


4.2.

De opdracht van appellant aan betrokkene om op 22 juli 2013 op het werk te verschijnen voor een gesprek over zijn situatie, was gelet op de ziekmelding van betrokkene per sms een redelijke opdracht. Vanwege deze wijze van ziekmelden heeft appellant zijn leidinggevende immers niet de informatie kunnen verstrekken als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Regeling ziek- en hersteldmelding defensiepersoneel over onder meer de reden van zijn afwezigheid en de vermoedelijke duur daarvan. Betrokkene was dan ook gehouden aan de opdracht te verschijnen gehoor te geven. Dat appellant na zijn ziekmelding van 16 juli 2013 als ziek thuis werd beschouwd en nog niet door een bedrijfsarts was gezien, maakt dit niet anders. Ook onder die omstandigheden mocht appellant hem oproepen voor een gesprek over de ontstane situatie. Betrokkene heeft niet gesteld dat hij het sms-bericht van zijn leidinggevende niet heeft ontvangen of dat hij om medische redenen niet in staat was op dit gesprek te verschijnen. Aangezien betrokkene tot en met 31 juli 2013 aan de oproep op het werk te verschijnen geen gehoor heeft gegeven en hij bovendien voor appellant onbereikbaar was, heeft de periode waarin betrokkene zich aan zijn dienstverplichtingen heeft onttrokken voortgeduurd tot 1 augustus 2013, de dag waarop hij zich weer heeft gemeld. Op grond van artikel 18 van het Inkomstenbesluit militairen heeft betrokkene daarom over het tijdvak van 22 juli tot en met 31 juli 2013 geen aanspraak op inkomsten.


4.3.

Het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 november 2013 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2015.




(getekend) J.J.A. Kooijman




(getekend) S.W. Munneke




HD