Centrale Raad van Beroep, 21-09-2015 / 13-3780 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:3459

Inhoudsindicatie
In geding is de vraag of appellant het verzoek van betrokkene om schadevergoeding terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Voor zover het verzoek om schadevergoeding van betrokkene louter zou zien op de schade die zij stelt te hebben geleden doordat appellant heeft nagelaten haar in de bezwaarprocedure van werkneemster te betrekken, dient dit echter los van het door betrokkene op grond van artikel 8:73 van de Awb gedane verzoek te worden beschouwd en heeft het betrekking op een procedurele nalatigheid van appellant, die is aan te merken als (het nalaten van) een feitelijke handeling. De door appellant naar aanleiding van dit verzoek genomen beslissing van 20 februari 2012 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar en beroep op grond van de Awb openstaat. Het hoger beroep slaagt en de AU moet worden vernietigd, voor zover appellant daarbij is opgedragen een nieuw besluit te nemen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven volledig in stand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-21
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
13-3780 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/360
Uitspraak

13/3780 WIA

Datum uitspraak: 21 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

4 juni 2013, 12/2439 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv (appellant)

[naam] B.V. te [woonplaats] , betrokkene

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L. van de Vrugt een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.J.E. Budel. Namens betrokkene zijn C. de Bruijn en

mr. van de Vrugt verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 november 2006 heeft appellant een aanvraag van een werkneemster van betrokkene om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen. Naar aanleiding van het door werkneemster tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 9 juli 2007 alsnog vastgesteld dat werkneemster met ingang van 11 september 2006 recht heeft op een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Bij brief van 25 september 2007 heeft appellant het besluit van 9 juli 2007 aan betrokkene toegezonden. In deze brief heeft appellant vermeld dat betrokkene abusievelijk niet in de bezwaarprocedure van de werkneemster is betrokken.


1.2.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 9 juli 2007 beroep ingesteld. Daarbij heeft betrokkene te kennen gegeven dat zij met ingang van 1 juli 2007 eigenrisicodrager is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Ziektewet en dit risico te hebben herverzekerd. Omdat appellant heeft nagelaten betrokkene tijdig op de hoogte te stellen van het bezwaar van werkneemster, stelt betrokkene haar verzekeraar niet tijdig te hebben kunnen informeren dat er mogelijk nog een WGA-geval bij de verzekering van het inlooprisico zou moeten worden betrokken. Dit heeft tot gevolg dat de door betrokkene aan werkneemster te betalen WGA-uitkering niet op de verzekeraar kan worden verhaald. Betrokkene stelt hierdoor schade te hebben geleden. Deze vindt haar grondslag in een door appellant gepleegde onrechtmatige daad wegens het niet betrekken van betrokkene in de bezwaarprocedure. Betrokkene heeft voorts de medische grondslag van het besluit van 9 juli 2007 bestreden.


1.3.

Bij uitspraak van 22 augustus 2008 heeft de rechtbank Utrecht het beroep van betrokkene tegen het besluit van 9 juli 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft nagelaten betrokkene te horen voordat op het bezwaar van de werkneemster werd beslist. Omdat niet op voorhand vast stond dat het horen van betrokkene niet tot een inhoudelijk ander oordeel kon leiden, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat appellant bij het nieuwe besluit tevens dient in te gaan op het verzoek van betrokkene om schadevergoeding.


1.4.

Nadat appellant zijn aanvankelijk tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2008 ingestelde hoger beroep had ingetrokken, is betrokkene op 21 oktober 2011 alsnog in het kader van de bezwaarprocedure van werkneemster tegen het besluit van 9 november 2006 gehoord.


1.5.

Bij besluit van 16 december 2011 heeft appellant het bezwaar van werkneemster opnieuw gegrond verklaard en de beslissing van 9 juli 2007 aan werkneemster met ingang van

11 september 2006 een WIA-uitkering toe te kennen gehandhaafd. Het standpunt van betrokkene dat de door werkneemster geclaimde beperkingen niet medisch objectiveerbaar zijn en de stelling van betrokkene dat appellante bij haar indiensttreding bij betrokkene al (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was en deze arbeidsongeschiktheid in de weg zou dienen te staan aan het toekennen van een uitkering, heeft appellant niet gevolgd.


1.6.

Over het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden omdat appellant haar in eerste instantie niet (tijdig) op de hoogte had gesteld van de lopende bezwaarprocedure en de te nemen beslissing op bezwaar heeft appellant betrokkene het volgende te kennen gegeven:


“De rechtbank Utrecht overwoog dat bij de nieuwe beslissing op bezwaar tevens dient te worden ingegaan op het verzoek om schadevergoeding.

Nu tegen de thans genomen nieuwe beslissing op bezwaar nog beroepsmogelijkheden kunnen worden aangewend, staat reeds daarom nog niet vast dat ook daadwerkelijk schade is geleden. Wij kunnen dan ook thans nog geen beslissing op uw verzoek nemen.

Pas indien de beslissing om [werkneemster] een uitkering toe te kennen in kracht van gewijsde is gegaan, kunnen wij een beslissing op uw verzoek nemen.

In dat verband bevestigen wij u hierbij de toezegging op de hoorzitting, dat, wanneer [naam] BV geen beroep tegen de thans genomen beslissing op bezwaar zou instellen, dit onzerzijds bij de beoordeling van uw verzoek om schadevergoeding [naam] BV niet zal worden tegengeworpen.

Uiteraard betekent dit niet dat wij niet uit andere hoofde van oordeel zouden kunnen zijn dat uw schadeclaim geheel of gedeeltelijk zou dienen te worden afgewezen”.


1.7.

Bij brief van 9 februari 2012 heeft betrokkene appellant meegedeeld dat zij heeft besloten te berusten in de beslissing op bezwaar van 16 december 2011. Betrokkene heeft appellant verzocht op korte termijn een beslissing te nemen naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van schade, bestaande uit de op betrokkene vanwege het eigen-risicodragerschap verhaalde, c.q. te verhalen uitkering van werkneemster, alsmede de boven-forfaitaire kosten van rechtsbijstand die betrokkene heeft gemaakt in de (hoger)beroepsprocedure tegen het besluit van 9 juli 2007.


1.8.1.

Bij brief van 20 februari 2012 heeft appellant betrokkene te kennen gegeven zich niet aansprakelijk te achten voor de schade die betrokkene stelt te hebben geleden. Daartoe heeft appellant er op gewezen dat hij weliswaar verzuimd heeft betrokkene op de hoogte te stellen van het door werkneemster ingediende bezwaar, maar dat de aldus geschonden norm als neergelegd in het Reglement behandeling bezwaarschriften Uwv niet de strekking heeft een (mede-)belanghebbende werkgever in staat te stellen een juiste weging te maken om een eigenrisicodragerschap aan te gaan, maar om de (mede-)belanghebbende werkgever in staat te stellen betrokken te worden in een bezwaarprocedure die door een (ex-)werknemer aanhangig is gemaakt, teneinde voor zijn belangen in de procedure op te komen.


1.8.2.

Voorts heeft appellant te kennen gegeven zich niet kunnen verenigen met het in de schadeclaim geschetste causale verband tussen het niet op de hoogte stellen van het ingediende bezwaar en de gestelde schade. Appellant heeft hiertoe verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad waaruit volgt dat een werkgever in het kader van de besluitvorming over het aanvragen van een eigenrisicodragerschap een eigen onderzoeksplicht heeft. Deze staat ook in de weg aan de door betrokkene geclaimde bovenforfaitaire kosten van rechtsbijstand. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat, voor zover betrokkene proceskosten heeft gemaakt, deze vergoed zijn op grond van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor een aanvullende vergoeding bestaat geen grond, mede gelet op de uitsluitende bevoegdheid van de bestuursrechter op dit punt.


1.8.3.

Ten slotte heeft appellant te kennen gegeven van mening te zijn dat de hiervoor weergeven standpunten geen besluit in de zin van de Awb inhouden waartegen op grond van de Awb bezwaar en beroep mogelijk is.


1.9.

Bij brief van 30 maart 2012 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen de brief van appellant van 20 februari 2012. Betrokkene heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de brief van appellant van 20 februari 2012 een besluit inhoudt in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze brief een beslissing bevat naar aanleiding van door betrokkene geclaimde schade die het gevolg is van het besluit van 9 juli 2007. Betrokkene heeft er voorts op gewezen dat zij de rechtbank op grond van artikel 8:73 van de Awb heeft verzocht appellant te veroordelen tot vergoeding van alle schade die betrokkene lijdt en nog zal lijden en heeft benadrukt dat de rechtbank Utrecht naar aanleiding van dit verzoek in haar uitspraak van 22 augustus 2008 heeft overwogen dat appellant bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar van werkneemster tevens moest ingaan op het verzoek om schadevergoeding.


1.10.

Bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de brief van 20 februari 2012 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft appellant overwogen dat de in deze brief neergelegde beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze geen zelfstandig rechtsgevolg heeft. De door betrokkene gestelde oorzaak van de door haar gestelde schade is gelegen in de omstandigheid dat appellant betrokkene niet (tijdig) in de bezwaarprocedure van werkneemster heeft betrokken. Deze beweerdelijke schadeoorzaak is volgens appellant geen besluit waartegen (afzonderlijk) bezwaar en beroep openstaat, maar een feitelijk handelen, zodat alleen via de burgerlijke rechter kan worden geprocedeerd over eventuele toekenning van een schadevergoeding.


2.1.1.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft vooropgesteld dat het standpunt van appellant dat de brief van 20 februari 2012 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb inhoudt, haaks staat op eerdere uitlatingen van appellant dat, zolang als de nieuwe beslissing op bezwaar nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, nog geen beslissing kan worden genomen op het verzoek van betrokkene om schadevergoeding. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft betrokkene verwezen naar haar in bezwaar aangevoerde gronden en de door haar in dit verband aangehaalde rechtspraak.


2.1.2.

Betrokkene heeft voorts gewezen op de vaste rechtspraak dat indien een bestuursorgaan een besluit neemt en handhaaft, dat vervolgens door de bestuursrechter wordt vernietigd, daarmee de onrechtmatigheid en de schuld van het overheidslichaam zijn gegeven. Ook is sprake van een onrechtmatig besluit als een besluit wordt ingetrokken naar aanleiding van een bezwaarschrift of als het besluit wordt herroepen. In dit geval heeft appellant erkend dat hij een fout heeft gemaakt en dat hij betrokkene niet tijdig bij de bezwaarprocedure tegen het besluit van 9 november 2006 heeft betrokken. Dat is ook het oordeel van de rechtbank Utrecht geweest, die het besluit van 9 juli 2007 bij uitspraak van 22 augustus 2008 heeft vernietigd. Volgens betrokkene is het causale verband tussen dit onrechtmatig handelen en de door betrokkene geleden schade evident. Omdat appellant betrokkene voordat zij op 1 juli 2007 eigenrisicodrager was geworden niet op de hoogte heeft gebracht van het bezwaar van werkneemster tegen het besluit van 9 november 2006, heeft betrokkene haar inlooprisico voor werkneemster niet kunnen herverzekeren en heeft zij de aan werkneemster toegekende

WIA-uitkering zelf moeten betalen, zonder dit te kunnen verhalen bij de herverzekeraar.


2.2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het in 2.1 vermelde betoog van betrokkene gevolgd. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.


2.2.2.

De rechtbank heeft de brief van appellant 20 februari 2012 vervatte beslissing aangemerkt als een zelfstandig schadebesluit en heeft vooropgesteld dat de bestuursrechter slechts bevoegd is hierover te oordelen als de rechter zelf ook bevoegd is te oordelen over de aan het besluit ten grondslag liggende schadeoorzaak. In dit geval is de oorzaak van de door betrokkene gestelde schade gelegen in het feit dat appellant betrokkene niet heeft betrokken bij de bezwaarprocedure van werkneemster, die geleid heeft tot het besluit van 9 juli 2007. Dat dit een handelen is van appellant waartegen beroep bij de bestuursrechter openstond, blijkt volgens de rechtbank uit het feit dat betrokkene daadwerkelijk beroep heeft ingesteld en in dat beroep is ontvangen. Betrokkene is in dat beroep vervolgens ook in het gelijk gesteld bij de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 augustus 2008. Uit die uitspraak blijkt dat appellant juist vanwege dat nalaten in strijd met de wet heeft gehandeld en een onrechtmatig besluit heeft genomen. Die uitspraak is in rechte komen vast te staan, omdat appellant het door hem daartegen ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken. De onrechtmatigheid van het besluit van 9 juli 2007 wegens het ten onrechte nalaten betrokkene in de bezwaarprocedure te betrekken is daarmee gegeven.


2.2.3.

Volgens de rechtbank kan dan ook niet geoordeeld worden dat het nalaten om betrokkene te informeren los kan worden gezien van het vernietigde besluit van 9 juli 2007. Dat volgt uit de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 augustus 2008, waarin appellant is opgedragen een beslissing te nemen over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding. Bovendien heeft appellant daarvan ook zelf nog melding gemaakt in zijn beslissing op bezwaar van 16 december 2011. Dit alles maakt volgens de rechtbank dat het standpunt van appellant dat tegen de brief van 20 februari 2012 geen bezwaar op grond van de Awb openstaat, onjuist is.


2.2.4.

De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat appellant ten onrechte met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van het horen van betrokkene heeft afgezien, omdat niet kan worden geoordeeld dat het bezwaar van betrokkene tegen de beslissing van 20 februari 2012 kennelijk niet-ontvankelijk is.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat de oorzaak van de (beweerdelijk) door betrokkene geleden schade (het nalaten betrokkene te betrekken in de bezwaarprocedure van werkneemster tegen het besluit van 9 november 2006 waarbij appellant heeft geweigerd werkneemster een WIA-uitkering toe te kennen) niet (afzonderlijk) voor bezwaar en beroep vatbaar is (geweest) en dat de beslissing over schadevergoeding om die reden niet als een besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Voor zover de rechtbank dit oordeel mede heeft gebaseerd op de aan appellant in de uitspraak van

22 augustus 2008 gegeven opdracht, is appellant van mening dat deze opdracht dient te worden aangemerkt als een - partijen niet bindende - overweging ten overvloede.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ten onrechte met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb heeft afgezien van het horen van betrokkene in haar bezwaarprocedure tegen de beslissing van 20 februari 2012.


4.2.

In geding is de vraag of appellant het in 1.7 genoemde verzoek van betrokkene om schadevergoeding terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Deze vraag kan slechts door de bestuursrechter worden beantwoord als de in 1.8 genoemde brief van appellant van

20 februari 2012, waarbij appellant op dit verzoek heeft beslist, kan worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb mogelijk is. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad - bijvoorbeeld CRvB 8 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8145 - is daarvoor vereist dat de gestelde schade het gevolg is van een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen is de bestuursrechter slechts bevoegd over dit besluit te oordelen als de rechter zelf ook bevoegd is te oordelen over de aan het besluit ten grondslag liggende schadeoorzaak.


4.3.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de oorzaak van de door betrokkene gestelde schade is gelegen in het feit dat appellant betrokkene niet heeft betrokken bij de bezwaarprocedure van werkneemster, die heeft geleid tot het besluit van 9 juli 2007. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat dit een handelen is waartegen beroep bij de bestuursrechter openstond en overweegt daartoe het volgende.


4.4.

Zoals appellant in zijn in 1.8 vermelde brief van 20 februari 2012 terecht heeft betoogd, is de door de rechtbank vastgestelde onrechtmatigheid terug te voeren op een schending van de norm die beoogt de (mede-)belanghebbende werkgever in staat te stellen betrokken te worden in een bezwaarprocedure die door een (ex-)werknemer aanhangig is gemaakt, teneinde voor zijn belangen in die procedure op te komen. Zoals uit het aanvullend beroepschrift van betrokkene van 8 april 2008 blijkt, was dit belang gelegen in haar stellingname dat appellant werkneemster ten onrechte alsnog met ingang van 11 september 2006 voor een

WIA-uitkering in aanmerking heeft gebracht.


4.5.

Om dit belang veilig te stellen heeft betrokkene beroep ingesteld tegen het in 1.2 genoemde besluit van 9 juli 2007 en heeft zij de rechtbank op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb verzocht appellant in geval van gegrondverklaring van het beroep te veroordelen tot vergoeding van de door haar gestelde schade. Dit verzoek kan naar zijn aard niet los worden gezien van de in deze procedure door de rechtbank inhoudelijk te beantwoorden vraag, te weten of appellant werkneemster bij het besluit van 9 juli 2007 terecht en op goede gronden in aanmerking heeft gebracht voor een WAO-uitkering. Bij haar uitspraak van 22 augustus 2008 heeft de rechtbank Utrecht deze vraag niet beantwoord, omdat de bezwaren van betrokkene tegen de medische onderbouwing van het besluit van

9 november 2006 nog niet in de beoordeling van appellant waren betrokken.


4.6.

Voor zover de rechtbank Utrecht in haar uitspraak van 22 augustus 2008 heeft overwogen dat appellant bij de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van werkneemster tegen het besluit van 9 november 2006 tevens diende in te gaan op het verzoek om schadevergoeding van betrokkene wegens het feit dat appellant haar niet tijdig in die bezwaarprocedure had betrokken, kan deze opdracht slechts middellijk, in de door appellant in zijn brief van

20 februari 2012 verwoorde zin, in verband worden gebracht met een mogelijk oordeel van de rechter dat appellant werkneemster op inhoudelijke gronden ten onrechte voor een

WAO-uitkering in aanmerking had gebracht. De beslissing of appellant in dat geval tot vergoeding van schade aan betrokkene gehouden zou zijn is op grond van artikel 8:73 van de Awb voorbehouden aan de bestuursrechter.


4.7.

Voor zover het verzoek om schadevergoeding van betrokkene louter zou zien op de schade die zij stelt te hebben geleden doordat appellant heeft nagelaten haar in de bezwaarprocedure van werkneemster te betrekken, dient dit echter los van het door betrokkene op grond van artikel 8:73 van de Awb gedane verzoek te worden beschouwd en heeft het betrekking op een procedurele nalatigheid van appellant, die is aan te merken als (het nalaten van) een feitelijke handeling.


4.8.

Tot een beslissing van de bestuursrechter over het verzoek van betrokkene appellant met toepassing van artikel 8:73 van de Awb wegens gestelde onrechtmatigheid van het besluit van 9 juli 2007 te veroordelen is het uiteindelijk niet gekomen, omdat betrokkene bij brief van

9 februari 2012 te kennen heeft gegeven in de door appellant op 16 december 2011 genomen nieuwe beslissing op het bezwaar van werkneemster te berusten.


4.9.

Gelet op wat in 4.4 tot en met 4.8 is overwogen heeft het in 1.7 genoemde schadevergoedingsverzoek van betrokkene van 9 februari 2012 louter nog betrekking op het (nalaten van) een feitelijke handeling. De in 1.8 genoemde, door appellant naar aanleiding van dit verzoek genomen, beslissing van 20 februari 2012 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar en beroep op grond van de Awb openstaat.


4.10.

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover appellant daarbij is opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tot slot zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit volledig in stand blijven.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.







BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 juni 2012 volledig in stand blijven.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

G. Van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) V. van Rij


NK