Centrale Raad van Beroep, 23-09-2015 / 14-4021 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3464

Inhoudsindicatie
Referte-eis artikel 17 van de WW. Artikel 17a, tweede lid, van de WW, bepaalt dat weken die al hebben meegeteld voor het ontstaan van een recht op een WIA-uitkering, niet in aanmerking worden genomen. Het standpunt van appellant, onder verwijzing naar de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 februari 2006, slaagt niet, omdat die brief slechts betrekking heeft op personen die tijdens de LGU-uitkering nog arbeid verrichtten en vervolgens werkloos werden. Dat de regeling van artikel 17a, tweede lid, van de WW niet geldt voor personen aan wie een IVA-uitkering is toegekend, levert geen ongerechtvaardigd onderscheid op omdat het niet gaat om gelijke gevallen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-23
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14-4021 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4021 WW

Datum uitspraak: 23 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 mei 2014, 13/432 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Voor appellant is

mr. Huisman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 9 januari 2006 uitgevallen uit zijn werk als meewerkend voorman. Van

6 januari 2008 tot 17 juni 2012 heeft hij een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) ontvangen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze uitkering was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft op 5 juni 2012 een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).


1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit) de gevraagde

WW-uitkering met ingang van 17 juni 2012 ontzegd. Aan deze ontzegging is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 17 van de WW neergelegde voorwaarde dat hij in de 36 weken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat uit artikel 17a, tweede lid, van de WW volgt dat weken waarin arbeid is verricht en die eerder hebben geleid tot een uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet WIA, niet in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de referteperiode.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de WW er in zijn geval toe leidt dat hij zijn WW-recht heeft verloren ondanks het feit dat hij tot de dag waarop hij volledig arbeidsongeschikt werd, 9 januari 2006, altijd volledig heeft gewerkt. Volgens hem is dat niet de bedoeling van de Wet WIA en wordt hij op die wijze ongelijk behandeld ten opzichte van personen aan wie een Wet WIA-uitkering is toegekend op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een brief overgelegd van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der

Staten-Generaal van 10 februari 2006.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv is van mening dat artikel 17a, tweede lid, van de WW geen andere uitkomst toelaat dan in het bestreden besluit is neergelegd. Het Uwv heeft verder naar voren gebracht dat de door appellant bedoelde brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betrekking heeft op gedeeltelijk arbeidsongeschikte personen die hun resterende verdiencapaciteit volledig benutten, hetgeen bij appellant niet het geval is geweest.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 17 van de WW, zoals dat gold ten tijde in geding, is bepaald dat recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht (referte-eis). In artikel 17a, tweede lid, van de WW, voor zover van belang, is bepaald dat voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 weken de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking wordt genomen voor zover deze niet reeds eerder heeft geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet WIA.


4.2.

Niet in geschil is dat toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de WW tot de conclusie leidt dat appellant niet aan de referte-eis voldoet.


4.3.

Het standpunt van appellant dat uit de door hem genoemde brief volgt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat als gevolg van de integratie van de WW in de WGA verzekerden die niet werkloos zijn geweest hun recht op WW verspelen, slaagt niet, omdat die brief slechts betrekking heeft op personen die tijdens de LGU-uitkering nog arbeid verrichtten en vervolgens werkloos werden. Appellant heeft tijdens zijn LGU-uitkering geen arbeid verricht en behoort dus niet tot die groep.


4.4.

Dat de regeling van artikel 17a, tweede lid, van de WW niet geldt voor personen aan wie een IVA-uitkering is toegekend, maakt niet dat een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen die personen en verzekerden aan wie een LGU-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is toegekend, omdat het niet gaat om gelijke gevallen.


4.5.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.


5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) P. Uijtdewillegen



NK