Centrale Raad van Beroep, 16-09-2015 / 14/2119 WMO-T


ECLI:NL:CRVB:2015:3472

Inhoudsindicatie
Verkapte middelentoets. Het standpunt van appellant dat betrokkene feitelijk de beschikking had over een of meerdere werkende scootmobielen en dat daarom geen noodzaak bestond om betrokkene te compenseren, kan onder omstandigheden juist zijn. In dit geval berust het standpunt van appellant niet op een deugdelijk onderzoek. Het college wordt opgedragen het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen. Gelet op wat ter zitting is besproken geeft de Raad partijen in overweging de zaak in der minne te schikken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-10-12
Zaaknummer
14/2119 WMO-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/365
Uitspraak

14/2119 WMO-T, 14/4133 WMO-T

Datum uitspraak: 16 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2014 (aangevallen tussenuitspraak) en 18 maart 2014, 13/4265 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft op 6 mei 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen.

Namens betrokkene heeft mr. B. Mor-Yazir, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2015. Appellant is vertegenwoordigd door mr. W. van Beveren. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Mor-Yazir.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene, geboren [in] 1964, ondervindt beperkingen ten gevolge van een amputatie van het rechter been. In verband met deze beperkingen heeft appellant diverse malen aan betrokkene een vervoersvoorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekend in de vorm van een scootmobiel, laatstelijk bij besluit van 24 februari 2011.


1.2.

Op 10 april 2013 heeft betrokkene - in verband met diefstal van zijn scootmobiel op

19 maart 2013 - een aanvraag gedaan voor een vervoersvoorziening in de vorm van een vervangende scootmobiel.


1.3.

Bij besluit van 22 april 2013 heeft appellant de aanvraag afgewezen. Tevens heeft appellant de eerder aan betrokkene toegekende vervoersvoorziening, in de vorm van een Regiotaxipas, beëindigd.


1.4.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 april 2013. Het bezwaar richtte zich uitsluitend tegen de afwijzing van de aanvraag voor een scootmobiel. Bij beslissing op bezwaar van 11 juli 2013 (bestreden besluit 1) heeft appellant dat bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene heeft verklaard scootmobielen op te knappen en daarna te verkopen. Appellant ziet niet in waarom betrokkene in dat geval geen scootmobiel heeft kunnen behouden in plaats van te verkopen. Betrokkene had het gestelde vervoersprobleem op die manier zelf kunnen oplossen. Appellant acht compensatie daarom niet noodzakelijk. Omdat betrokkene in het bezit is van scootmobielen is geen sprake van een vervoersprobleem.


2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld een gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene ten tijde van zijn aanvraag en het primaire besluit in het bezit was van een werkende scootmobiel. Naar aanleiding van de door betrokkene aangevoerde grond dat appellant ten onrechte de financiële middelen als afwijzingsgrond heeft gebruikt, heeft de rechtbank geconcludeerd dat bestreden besluit 1 in strijd is met artikel 4, eerste lid, van de Wmo, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de Wmo. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

25 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2394, overwogen dat het standpunt van appellant in de kern erop neerkomt dat de gevraagde voorziening wordt geweigerd, nu betrokkene door zelf een scootmobiel te hebben aangeschaft, daadwerkelijk beschikt over de capaciteit om uit een oogpunt van kosten maatregelen te nemen. Volgens de rechtbank gaat genoemde uitspraak van de Raad ook op in het geval van betrokkene waarin appellant bij de afwijzing van de aanvraag impliciet het inkomen en/of het vermogen in aanmerking heeft genomen door er op te wijzen dat betrokkene de voorziening al uit eigen middelen heeft voldaan. De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen.


2.2.

Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, omdat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat hij de gevraagde voorziening (indirect) heeft afgewezen op grond van het inkomen of vermogen van betrokkene.


2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen over griffierecht en proceskosten - en onder verwijzing naar de tussenuitspraak, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen met inachtneming van wat de rechtbank heeft overwogen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant heeft meegedeeld geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Het staat de rechtbank niet vrij terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Uit wat appellant heeft opgemerkt in zijn reactie op de tussenuitspraak volgt niet dat zich een zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van de beoordeling in de tussenuitspraak.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep zowel tegen de tussenuitspraak als tegen de einduitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank zijn standpunt in bestreden besluit 1 niet juist heeft weergegeven. Appellant heeft de gevraagde voorziening niet direct of indirect afgewezen op grond van het inkomen of vermogen van betrokkene. Appellant heeft de aanvraag afgewezen op grond van het feit dat betrokkene feitelijk de beschikking had over een of meerdere scootmobielen. Volgens appellant is deze afwijzing in overeenstemming met zijn eigen beleid waarbij gekeken wordt naar de eigen oplossingen/voorzieningen. Appellant heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Raad van 21 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BW6810. De rechtbank heeft volgens appellant te vergaande conclusies verbonden aan de uitspraak van de Raad van 25 november 2013. Bovendien is de tussenuitspraak gebaseerd op feitelijke onjuistheden, zoals dat betrokkene ten tijde van de tussenuitspraak al een nieuwe aanvraag had gedaan en dat de scootmobiel waarover betrokkene beschikte kapot zou zijn.


4.1.

Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van betrokkene op 31 maart 2014 heeft appellant bij besluit van 14 april 2014 betrokkene een leenscootmobiel toegekend in afwachting van de ter uitvoering van de aangevallen einduitspraak te nemen nieuwe beslissing op bezwaar.


4.2.

In het ter uitvoering van de aangevallen einduitspraak op 6 mei 2014 genomen bestreden besluit 2 heeft appellant aan betrokkene een leenscootmobiel toegekend onder dezelfde voorwaarden als in het besluit van 14 april 2014, totdat op het hoger beroep is beslist.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.


5.2.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen en met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.


5.3.

De rechtbank heeft, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2394, terecht overwogen dat bij het toekennen van individuele voorzieningen, naast of in plaats van de in de artikelen 15 en 19 van de Wmo bedoelde eigenbijdrageregeling, geen ruimte is om anders met het inkomen of vermogen van de aanvrager van een voorziening rekening te houden dan daarin is voorzien, ook niet met een beroep op de zelfredzaamheid van de aanvrager. De Raad heeft in die uitspraak verder overwogen dat aan de eigen verantwoordelijkheid van de burger in het kader van de Wmo substantieel betekenis toekomt, maar dat dit niet zover kan gaan dat een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk aan de aanvrager wordt onthouden op grond van diens inkomen of vermogen.


5.4.

Niet in geschil is dat betrokkene met een scootmobiel wordt gecompenseerd in zijn beperkingen bij het zich buitenshuis verplaatsen. De vraag die voorligt is of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat appellant in bestreden besluit 1 een verkapte middelentoets heeft gehanteerd, door impliciet er op te wijzen dat betrokkene de voorziening al uit eigen middelen heeft voldaan.


5.5.

Zowel het primaire besluit als bestreden besluit 1 berusten op de vaststelling van appellant dat betrokkene feitelijk de beschikking had over een of meerdere werkende scootmobielen. Het enkele feit dat een voorziening de facto aanwezig is, is naar het oordeel van de Raad echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat appellant impliciet rekening heeft gehouden met financiële middelen.


5.6.

Het standpunt van appellant dat betrokkene feitelijk de beschikking had over een of meerdere werkende scootmobielen en dat daarom geen noodzaak bestond om betrokkene te compenseren, kan onder omstandigheden juist zijn. In dit geval berust het standpunt dat betrokkene kon beschikken over een scootmobiel en dat deze werkzaam en passend was echter niet op een deugdelijk onderzoek. Daarbij is van belang dat appellant voor het oordeel dat betrokkene de beschikking had over een of meer werkende scootmobielen is afgegaan op een rapport Administratief onderzoek van 19 april 2013. Dit Rapport is door appellant opgemaakt aan de hand van een terugkoppeling door de politie Utrecht over het onderzoek dat op het adres van betrokkene heeft plaatsgevonden in verband met zijn aangifte van diefstal van zijn scootmobiel. Een dergelijk stuk mist de bewijskracht, zoals die wel kan worden toegekend aan een proces-verbaal dat op ambtseed is opgemaakt. Dit klemt te meer daar is gebleken dat betrokkene de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, dat hij zonder tolk niet altijd even goed wordt begrepen en dat het politieonderzoek kennelijk zonder tolk heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft betrokkene later de conclusie uit het rapport Administratief onderzoek dat hij scootmobiels inkoopt en weer verkoopt weersproken. Verder heeft appellant niet onderzocht of de aanwezige scootmobiel(en) compenserend was (waren) voor betrokkene, gelet op zijn beperkingen en omstandigheden. Hiertoe bestond wel aanleiding nu betrokkene in bezwaar heeft gesteld dat de scootmobiel die hij voor € 60,- op Marktplaats had gekocht kapot bleek te zijn. Appellant is hieraan voorbij gegaan door te wijzen op de advertentie op Marktplaats waar betrokkene de voorhanden scootmobiel te koop had aangeboden als in goede staat verkerend. Appellant heeft hiermee miskend dat deze enkele omschrijving niet betekent dat sprake was van voor betrokkene gelet op zijn beperkingen en omstandigheden passende scootmobiel.


5.7.

Aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het college op te dragen het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen.


5.8.

Door wat is overwogen in 5.7 is de grondslag aan bestreden besluit 2 komen te ontvallen.


5.9.

Gelet op hetgeen ter zitting is besproken geeft de Raad partijen in overweging te bezien of het mogelijk is de zaak in der minne te schikken.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 11 juli 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015.




(getekend) R.M. van Male




(getekend) B. Fotchind




NK