Centrale Raad van Beroep, 13-10-2015 / 14/1075 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3501

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering. Niet gemelde werkzaamheden. Nu de precieze omvang van de werkzaamheden van appellante, ook niet bij benadering, was vast te stellen, was het college niet gehouden om schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag appellanten aanvullend recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel zouden zijn nagekomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
14/1075 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1075 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

9 januari 2014, 13/442 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.R.V.L. Kicken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Kicken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen sinds 10 november 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

In het kader van een heronderzoek hebben casemanagers van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen appellanten op 31 mei 2012 gehoord en aansluitend een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 juni 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

6 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 januari 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten met ingang van 10 november 2011 in te trekken en de over de periode 10 november 2011 tot en met 30 april 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.643,50 van appellanten terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar werkzaamheden als schoonheidsspecialiste. Zij heeft geen deugdelijke administratie of boekhouding van haar werkzaamheden en verdiensten bijgehouden. Hierdoor is het recht op bijstand vanaf 10 november 2011 niet vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vaststaat dat [appellante] (appellante) sinds 27 juni 2011 in het bezit was van het diploma schoonheidsspecialiste en in ieder geval vanaf 10 november 2011 werkzaamheden als schoonheidsspecialiste heeft verricht. Eén kamer in de woning van appellanten was ingericht als schoonheidssalon en appellante had een aantal producten in voorraad ten behoeve van schoonheidsbehandelingen. Daarnaast had zij een website waarop diverse schoonheidsbehandelingen werden aangeboden met vermelding van een prijslijst. Onder deze omstandigheden moeten de activiteiten van appellante worden aangemerkt als professionele, op geld waardeerbare activiteiten. De stelling van appellante dat deze activiteiten een hobbymatig karakter hadden en dat zij enkel aan het oefenen was, kan dan ook niet staande worden gehouden. Dat de activiteiten van appellante slechts voorbereidingshandelingen zouden betreffen met het oog op een mogelijk zelfstandig ondernemerschap in de toekomst, leidt, wat daarvan zij, evenmin tot een ander oordeel. Dit oogmerk doet op zichzelf immers niet af aan het feit dat het hier op geld waardeerbare arbeid betreft waarvoor normaliter een beloning kan worden bedongen.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de door haar verrichte activiteiten als schoonheidsspecialiste van invloed konden zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Door hiervan geen melding te maken heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat het college “precies wist waar appellante mee bezig was” hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt en doet overigens niet af aan hun meldingsplicht ter zake van de concreet verrichte werkzaamheden en daaruit verkregen inkomsten.


4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.4.

Appellante is hierin niet geslaagd. De later door haar overgelegde agenda over 2012 en klantenkaarten zijn onvoldoende om de omvang van de activiteiten en de daaruit genoten inkomsten vast te stellen, nu onder andere een agenda over 2011 ontbreekt en de gegevens uit de agenda over 2012 niet overeenkomen met die op de klantenkaarten. Nu de precieze omvang van de werkzaamheden van appellante, ook niet bij benadering, was vast te stellen, was het college niet gehouden om schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag appellanten aanvullend recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel zouden zijn nagekomen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


4.6.

Gelet op de uitkomst van deze procedure is er geen ruimte voor een veroordeling tot vergoeding van schade. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van als P.C. de Wit griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) P.C. de Wit



HD