Centrale Raad van Beroep, 02-10-2015 / 15-5946 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:3531

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Voldoende spoedeisend belang. Kortsluiting. Weigering de gevraagde WW-uitkering uit te betalen omdat appellant niet binnen 26 weken een aanvraag heeft ingediend. Geen sprake van een bijzonder geval.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-02
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
15-5946 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/5946 WW en 15/5947 WW-VV

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 20 juli 2015, 15/2803 en 15/2099 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 26 augustus 2015

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb van de rechtbank Noord-Holland van 20 juli 2015, 15/2803 en 15/2099.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Verzoeker heeft een nader stuk ingezonden, waarin hij zijn financiële situatie heeft toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Rhodes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker is laatstelijk werkzaam geweest voor [naam werkgeefster] . (werkgeefster) als administratief medewerker, vanaf 9 oktober 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verzoeker is op 15 april 2010 uitgevallen wegens diverse lichamelijke klachten.


1.2.

Op 8 mei 2012 heeft verzoeker een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 4 juni 2012 heeft het Uwv aan verzoeker meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij voor het einde van de wachttijd - die verlengd is tot 11 augustus 2012 - hersteld is gemeld. Verzoeker is namelijk door werkgeefster per 16 april 2012 hersteld gemeld. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.


1.3.

Bij brief van 5 november 2012 heeft verzoeker nieuwe medische gegevens aan het Uwv gestuurd. Bij besluit van 28 december 2012 heeft het Uwv besloten dat de door verzoeker ingestuurde medische gegevens geen aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 4 juni 2012. Bij besluit van 13 mei 2013 heeft het Uwv het besluit van 4 juni 2012 gehandhaafd. Het hiertegen door verzoeker ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 juli 2014, 13/2591, gegrond verklaard, waarbij aan het Uwv opdracht is gegeven om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van verzoeker. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker de wachttijd voor de Wet WIA wel heeft volbracht.


1.4.

Bij besluit van 20 november 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor verzoeker met ingang van 11 augustus 2012 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Ter zitting heeft het Uwv meegedeeld dat het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 13 augustus 2015 ongegrond is verklaard. Gemachtigde van verzoeker kon ter zitting geen duidelijkheid geven over de vraag of er tegen het besluit van 13 augustus 2015 beroep is ingesteld.


1.5.

Bij besluit van 11 mei 2015 is verzoeker met ingang van 1 augustus 2014 arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 100% en per die datum in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.6.

Op 31 maart 2015 heeft verzoeker een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd over de periode van 24 december 2012 tot en met 23 maart 2014. Bij besluit van 1 april 2015 heeft het Uwv de gevraagde WW-uitkering niet betaald op de grond dat hij niet binnen 26 weken na genoemde periode een aanvraag heeft ingediend.


1.7.

Bij besluit van 17 juni 2015 (bestreden besluit) is het besluit van 31 maart 2015 gehandhaafd en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is er geen sprake van een bijzonder geval.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.


3. In hoger beroep heeft verzoeker in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Deze komen erop neer dat het door de onjuiste besluitvorming van het Uwv zo lang heeft geduurd voordat er voor verzoeker duidelijkheid was over zijn recht op een WIA-uitkering. Pas met het besluit van 20 november 2014 heeft verzoeker een inhoudelijk oordeel gekregen op zijn aanvraag om een WIA-uitkering. Daarna kon hij pas een WW-uitkering aanvragen, aldus verzoeker. Ter zitting heeft verzoeker nader toegelicht dat het volgens hem zinloos zou zijn geweest om eerder een WW-uitkering aan te vragen. Verzoeker achtte zich destijds namelijk niet in staat om te werken en zou daarom door het Uwv niet beschikbaar zijn geacht voor de arbeidsmarkt. Om die reden zou verzoeker niet in aanmerking zijn gekomen voor een WW-uitkering. Indien verzoeker zich destijds op het standpunt zou hebben gesteld dat hij arbeidsgeschikt was, dan zou het Uwv verzoeker hebben gewezen op het feit dat hij aanspraak kon maken op loon vanwege het nog bestaande dienstverband met werkgeefster. De door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden zijn volgens hem reden om een bijzonder geval aan te nemen.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op verzoekers financiële belang, zoals is toegelicht in de brief van 21 september 2015 en ter zitting, is sprake van een voldoende spoedeisend belang.

4.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en ook overigens zijn er geen beletselen om uitspraak te doen in deze hoofdzaak, zodat aan die artikelen toepassing zal worden gegeven.

4.3.

In de eerste volzin van artikel 35 van de WW is bepaald dat de uitkering niet wordt uitbetaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is op grond van de tweede volzin van artikel 35 WW bevoegd om in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin.

4.4.

In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat de werkloosheid is ingetreden per einde van de wachttijd, te weten 11 augustus 2012, dat verzoeker maximaal een aanspraak zou kunnen hebben op een WW-uitkering over de periode van 11 augustus 2012 tot en met

10 november 2013 en dat sinds die periode meer dan 26 weken waren verstreken toen appellant op 3 maart 2015 zijn WW-aanvraag indiende. Slechts in geschil is of sprake is van een bijzonder geval.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BX6568) is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van de dwingendrechtelijke bepaling in de eerste volzin van artikel 35 van de WW. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan de voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip “bijzonder geval” naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd.

4.6.

De door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden kunnen niet gelden als een bijzonder geval. Nadat het Uwv appellant bij besluit van 4 juni 2012 had meegedeeld dat hij met ingang van 11 augustus 2012 niet in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering, stond niets verzoeker in de weg om per die datum een WW-uitkering aan te vragen. Dat verzoeker hier niet aan heeft gedacht, zoals hij blijkens de aangevallen uitspraak heeft verklaard, komt voor zijn rekening en risico. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoeker meende dat hij arbeidsongeschikt was en dacht daarom niet in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering. Het stond verzoeker vrij om een procedure over een aanspraak op een WIA-uitkering te starten, maar ook om, al dan niet in afwachting van de uitkomst van genoemde procedure, een WW-aanvraag in te dienen. Het is de eigen keuze van verzoeker geweest om te wachten met het indienen van een WW-aanvraag totdat hij een inhoudelijke afwijzing had gekregen op zijn WIA-aanvraag. De bij verzoeker levende veronderstelling dat hij met het indienen van een WW-aanvraag diende te wachten totdat het Uwv had beslist over zijn recht op een WIA-uitkering, is niet gebaseerd op enig wettelijk voorschrift of op door Uwv verstrekte informatie en blijft daarom voor zijn rekening. Hetzelfde geldt voor de inschatting van verzoeker dat het eerder indienen van een WW-aanvraag niet zinvol zou zijn geweest, omdat zijn dienstverband nooit was beëindigd. Vast staat immers dat appellant met ingang van 11 augustus 2012 geen loon meer ontving en geen arbeid meer verrichtte, terwijl het bestaan van een dienstverband niet in de weg staat aan het ontstaan van een recht op WW-uitkering. Bij dit alles is nog van belang dat verzoeker al vanaf de bezwaarprocedure tegen het besluit van 4 juni 2012 werd bijgestaan door zijn huidige gemachtigde.


4.7.

Uit 4.6 volgt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een bijzonder geval.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.







BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.




(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) W. de Braal


UM