Centrale Raad van Beroep, 14-10-2015 / 14/2438 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:3549

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. De beperkingen van appellante zijn goed weergegeven in de FML. Inzichtelijk beargumenteerd dat appellante de geselecteerde functies kan verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-14
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
14/2438 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2438 WAO

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 maart 2014, 13/1579 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. D.J.H. Habers, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

15 februari 2013 de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 16 april 2013 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 6 juni 2013 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar psychische klachten ten opzichte van de beoordeling in 2006 niet zijn verbeterd. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst appellante naar de CIZ-indicatie van 4 juli 2013, met aanspraak op individuele begeleiding, en de brieven van GZ-psycholoog drs. B.Th. Steynis van 20 maart 2013, 26 februari 2014 en

3 april 2014.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn, kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk (uitspraak van 10 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1327).


4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beperkingen van appellante goed zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 november 2012. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid overwogen dat de brief van psycholoog Steynis van 20 maart 2013 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beoordeling is betrokken en geen aanleiding geeft voor een ander standpunt, nu de psycholoog geen inzicht heeft gegeven in zijn bevindingen bij onderzoek en zijn conclusies niet gemotiveerd heeft. Hetgeen de psycholoog hierover in zijn in hoger beroep overgelegde brieven van 26 februari 2014 en 3 april 2014 opmerkt leidt niet tot een ander oordeel. Met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 20 maart 2013 en 23 september 2013 gegeven motivering en de ter zitting door de vertegenwoordiger van het Uwv na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep verstrekte toelichting op deze brieven van psycholoog Steynis, is voldoende overtuigend uiteengezet dat per de datum die in deze zaak in geding is, 16 april 2013, geen sprake is van de door de psycholoog gestelde diagnose gegeneraliseerde angststoornis, maar van een dysthyme stoornis. Daarbij is van belang dat in de FML op grond van de psychische klachten van appellante beperkingen zijn opgenomen in rubriek 1, persoonlijk functioneren, en rubriek 2, sociaal functioneren, en dat de eerder gegeven urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week, uit preventief oogpunt volledig is gehandhaafd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat met deze beperkingen in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar psychische klachten. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat een GAF-score niet zonder meer bepalend is voor het aannemen van beperkingen. Een GAF-score dient als indicatie bij het beoordelen van het verloop van een medische behandeling en niet ter vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetten (uitspraak van

25 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2168). Ook heeft de rechtbank aan de CIZ-indicatie van 4 juli 2013 terecht niet de conclusie verbonden dat appellante meer beperkingen heeft dan in de FML zijn opgenomen. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen en voegt daaraan toe dat appellante de aan de CIZ-indicatie ten grondslag liggende medische informatie ook in hoger beroep niet heeft overgelegd. De in hoger beroep aangevoerde grond dat de psychische situatie ten opzichte van 2006 is verslechterd slaagt dan ook niet.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van FML van 29 november 2012 heeft de rechtbank terecht overwogen dat de voor appellante geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 28 januari 2013 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juni 2013 waarin inzichtelijk is beargumenteerd dat appellante werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies die door de arbeidsdeskundige zijn geselecteerd.


4.4.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) M.S.E.S. Umans




AP