Centrale Raad van Beroep, 06-10-2015 / 12/2367 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3557

Inhoudsindicatie
Einduitspraak na tussenuitspraak. Berekening wettelijke rente bij ten onrechte terugvordering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-06
Publicatiedatum
2015-10-19
Zaaknummer
12/2367 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/2367 WWB, 13/959 WWB, 15/235 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

6 april 2012, 11/1597 (aangevallen uitspraak 1) en van de rechtbank Limburg van

25 januari 2013, 12/371 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Grégoire. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Sangster.

Na een tussenuitspraak van 25 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:669 (tussenuitspraak), heeft het college op 26 maart 2014 een nieuw besluit op bezwaar (uitvoeringsbesluit) genomen.

Bij besluit van 16 april 2014 (rentebesluit) heeft het college een beslissing genomen terzake van de te vergoeden wettelijke rente. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank doorgezonden naar de Raad.

Namens appellante heeft mr. Grégoire een zienswijze ingediend.

Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars standpunt gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

De Raad heeft voorts besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar de tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1.

De Raad heeft in de tussenuitspraak, samengevat, geoordeeld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraken ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om bij besluiten van 30 mei 2011 en 22 september 2011, gehandhaafd in bezwaar bij besluiten van 12 september 2011 (bestreden besluit 1) respectievelijk 1 februari 2012 (bestreden besluit 2), over de periode van 1 september 2010 tot 10 mei 2011 en per 10 mei 2011 de bijstand in te trekken. Het college is opgedragen het recht op bijstand van appellante over de periode van

1 september 2010 tot uiterlijk 14 november 2011, de datum waarop appellante bij haar partner is gaan wonen en geen recht op bijstand meer heeft, alsnog, zo nodig schattenderwijs, vast te stellen en te bezien of het bevoegd was tot herziening van de bijstand.


1.2.

Bij het uitvoeringsbesluit heeft het college het recht op bijstand over de periode van

1 september 2010 tot 14 november 2011 alsnog herzien en is berekend dat appellante over die periode recht heeft op een nabetaling van € 2.564,94. Daarbij heeft het college meegedeeld dat een afzonderlijk besluit genomen wordt over de rentevergoeding. Voorts is een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar (4 punten) tot een bedrag van € 1.948,-.


1.3.

Bij het rentebesluit heeft het college aan appellante een bedrag van € 538,42 aan wettelijke rente vergoed in verband met het uit het uitvoeringsbesluit voortvloeiende na te betalen bedrag, zoals genoemd in 1.2.


2.1.

Appellante kan zich met het uitvoeringsbesluit verenigen, maar niet met de berekening van de wettelijke rente. Volgens appellante heeft het college ten onrechte geen wettelijke rente berekend over een bedrag van € 740,-. Dit bedrag is door appellante in het kader van de terugvordering reeds aan het college terugbetaald.


2.2.

Het college heeft, onder verwijzing naar een per maand uitgesplitste berekening van de wettelijke rente, verzocht het rentebesluit te handhaven.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Op grond van wat in de tussenuitspraak is overwogen slaagt het hoger beroep en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten, voor zover daarbij het recht op bijstand over de periode van 1 september 2010 tot 10 mei 2011 en per

10 mei 2011 is ingetrokken, vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.


3.2.

De Raad zal het rentebesluit, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede in de beoordeling betrekken.


3.3.

Uit het uitvoeringsbesluit vloeit voort op welke wijze het na te betalen bedrag tot stand is gekomen. Zo is over de periode september 2010 tot en met december 2010 een bedrag van

€ 1.607,56 en over de periode januari 2011 tot en met mei 2011 een bedrag van € 1.277,07 teveel bijstand verstrekt aan appellante. Over de periode mei 2011 tot en met november 2011 heeft appellante nog recht op een bedrag aan bijstand van € 4.709,57. Per saldo heeft appellante derhalve nog recht op een bedrag € 1.824,94. Omdat appellante in het kader van de terugvordering evenwel reeds een bedrag van € 740,- aan het college heeft terugbetaald, komt het totaal van het na te betalen bedrag uiteindelijk uit op € 2.564,94. In dit bedrag is de terugvordering verdisconteerd. Vastgesteld wordt dat wat appellante heeft terugbetaald, minder is dan zij op grond van de herziening moet terugbetalen. Zij heeft dus niet teveel terugbetaald. Rente is daarover dan ook niet verschuldigd. Uit de berekening van het college blijkt nu dat wettelijke rente is berekend over een bedrag van € 5.962,32, hoger dus dan de na te betalen bijstand over de periode mei 2011 tot en met november 2011. Hieruit kan worden afgeleid dat appellante met de vergoeding van een bedrag van € 538,42 aan wettelijke rente niet tekort is gedaan.


3.4.

Het in 3.3 overwogene leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het rentebesluit ongegrond zal worden verklaard.


4. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- in beroep (4 punten maal € 490,-: twee punten voor de beroepschriften en twee punten voor de zittingen) en op € 1.715,- in hoger beroep (3,5 punt maal € 490,-: twee punten voor de hoger beroepschriften, een punt voor de zitting en een half punt voor het indienen van de zienswijze) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 september 2011 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 30 mei 2011;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 februari 2012 gegrond en vernietigt dat besluit,

voor zover het college daarbij het recht op bijstand over de periode van 1 september 2010 tot

10 mei 2011 heeft ingetrokken;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 april 2014 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.675,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 316,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

6 oktober 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) R.B.E. van Nimwegen




HD