Centrale Raad van Beroep, 20-10-2015 / 14/5364 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3595

Inhoudsindicatie
Intrekken na opschorten. Verklaring over middelen om boetes te betalen. Relevante gegevens.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-27
Zaaknummer
14/5364 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5364 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 augustus 2014, 14/626 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Beek (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.P. Voragen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Voor appellant is

mr. Voragen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

L.A.M. Haggenburg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving vanaf 1 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 6 december 2012 heeft appellant zich telefonisch afgemeld voor een gepland gesprek met zijn klant- en trajectmanagers op die dag. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij die ochtend was aangehouden door de politie wegens openstaande boetes en dat hij een bedrag van € 2.640,- aan boetes aan de politie heeft moeten betalen. In verband hiermee heeft de klantmanager appellant bij brief van 10 december 2012 verzocht uiterlijk 18 december 2012 een schriftelijke verklaring waarin staat hoe appellant in de gelegenheid is geweest het bedrag van € 2.640,- te betalen en als appellant dit geld van anderen heeft gekregen, een schriftelijke verklaring van die personen, en tevens bewijsstukken waaruit de betalingen blijken, over te leggen. Appellant heeft geen stukken overgelegd.


1.2.

Bij besluit van 27 december 2012 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 december 2012 opgeschort. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld de gevraagde stukken vóór 4 januari 2012 (lees: 2013) aan te leveren.


1.3.

Bij besluit van 16 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2012 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft allereerst aangevoerd dat de gevraagde gegevens niet noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en dat het college daarom niet bevoegd was een onderzoek te doen naar de wijze waarop appellant het boetebedrag aan de politie heeft betaald. Het betaalde boetebedrag overschrijdt immers niet de voor appellant geldende vermogensgrens en er zijn geen aanwijzingen dat appellant inkomsten uit andere bronnen heeft. Het benodigde geld kwam uit een volstrekt legitieme bron, zodat appellant geen verplichting had tot het geven van informatie en elke verwijtbaarheid ontbreekt. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij de gevraagde informatie wel degelijk tijdig heeft verstrekt. Appellant stelt dat hij samen met zijn opa, die het boetebedrag op 6 december 2012 heeft betaald, naar het gemeentehuis geweest, waar hij de gang van zaken met betrekking tot de betaling van de openstaande boetes heeft uiteengezet.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

Vaststaat dat appellant niet binnen de gegeven termijn een schriftelijke toelichting heeft gegeven over de wijze waarop hij het boetebedrag van € 2.640,- heeft betaald en evenmin een schriftelijke verklaring van zijn opa die de boete op 6 december 2012 zou hebben betaald noch bewijsstukken van die betaling heeft overgelegd.


4.4.

De grond dat de gevraagde gegevens niet noodzakelijk zijn, slaagt niet. Anders dan appellant betoogt maakt de hoogte van het betaalde boetebedrag en het kunnen beschikken over dit bedrag aan contant geld reeds dat onduidelijkheid is ontstaan over de financiële situatie van appellant. Het betaalde boetebedrag was immers aanzienlijk hoger dan het bedrag dat appellant maandelijks aan bijstand ontving. Dat dit bedrag niet boven de vrij te laten vermogensgrens ligt, maakt dit niet anders omdat voor het recht op bijstand zowel de inkomsten als de vermogensbestanddelen van belang zijn. Daar komt bij dat ten tijde van de toekenning van de bijstand aan appellant is vastgesteld dat hij over een negatief vermogen beschikte. De gevraagde gegevens over de herkomst en betaling van dit bedrag waren daarom wel degelijk van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand.


4.6.

De grond dat appellant de gevraagde gegevens wel tijdig heeft verstrekt door deze mondeling te verstrekken, slaagt niet. Allereerst gaat appellant er ten onrechte aan voorbij dat niet alleen een schriftelijke toelichting op de herkomst van de betaling van dit boetebedrag is gevraagd, maar tevens bewijsstukken van de betaling. Voorts blijkt uit de gedingstukken niet dat appellant zich, samen met zijn opa, bij de gemeente heeft gemeld om een toelichting te geven op de wijze van betaling van de boetes. De in bezwaar overgelegde kwitantie van

6 december 2012 is eerst na de hersteltermijn overgelegd. Appellant kan dan ook worden verweten dat hij de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven termijn heeft overgelegd.


4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4.8.

Gelet op 4.7 bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellant zal daarom worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) J.L. Meijer




HD