Centrale Raad van Beroep, 20-10-2015 / 14/6476 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3614

Inhoudsindicatie
Intrekking na opschorting. Geen gegevens m.b.t. auto. Verwijtbaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
14/6476 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6476 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

16 oktober 2014, 14/390 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.E.J.C. Bartels-Grootjans.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

In het kader van een controleonderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het college appellant bij brief van 29 mei 2013 verzocht om voor

10 juni 2013 een aantal gegevens over te leggen, namelijk bankafschriften van alle rekeningnummers op zijn naam over de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 juni 2013, alsmede autopapieren en aankoopbewijzen van de voertuigen met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] .


1.3.

Appellant heeft op 14 juni 2013 bankafschriften overgelegd van een betaalrekening bij de [naam 1] -bank met nummer [nummer] over de periode van 1 maart 2013 tot en met 7 mei 2013, en een bankafschrift van de daaraan gekoppelde Toprekening over de periode van 20 februari 2013 tot en met 15 mei 2013. Met betrekking tot de voertuigen met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] heeft appellant op 18 juni 2013 een schriftelijke verklaring overgelegd. Daarin heeft appellant verklaard dat hij geen aankoopbewijzen van deze voertuigen heeft omdat hij ze niet heeft gekocht en dat de auto met het kenteken [kenteken 1] vanaf 23 januari 2013 in beslag is genomen.


1.4.

Bij brief van 16 juli 2013 heeft het college appellant opnieuw om overlegging van gegevens gevraagd, namelijk de nog ontbrekende bankafschriften over de periode tot minimaal juli 2013, objectieve bewijsstukken met betrekking tot een aantal uit de reeds overgelegde afschriften blijkende stortingen op de bankrekening met nummer [nummer] , informatie over de door appellant betaalde verzekering bij [naam 2] Verzekeringen en het kentekenbewijs 1 en 2 van de auto met kenteken [kenteken 2] . Voorts heeft het college appellant in deze brief verzocht een schriftelijke verklaring op te stellen waaruit blijkt op welke wijze de voertuigen met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] zijn aangeschaft en betaald en heeft het college appellant gevraagd een kopie van de verzekeringspolis van de auto met kenteken [kenteken 2] te verstrekken en aan te tonen op welke wijze appellant de verzekeringspremie voldoet. Ten slotte heeft het college appellant verzocht met objectieve bewijsstukken aan te tonen op welke wijze hij de maandelijkse kosten voor eten, drinken en verzorgingsproducten heeft voldaan over de periode van 1 maart 2013 tot minimaal 1 juli 2013. Het college heeft appellant verzocht de gevraagde gegevens vóór 24 juli 2013 in te leveren.


1.5.

Bij besluit van 30 juli 2013 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 24 juli 2013 opgeschort, op de grond dat appellant de bij brief van 16 juli 2013 gevraagde gegevens niet heeft verstrekt. Het college heeft daarbij appellant verzocht vóór 9 augustus 2013 de gevraagde gegevens alsnog over te leggen. Het college heeft verder meegedeeld dat als appellant hieraan onvoldoende gevolg geeft, de bijstand wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop het recht op bijstand is opgeschort.


1.6.

Bij besluit van 21 augustus 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 24 juli 2013 met toepassing van artikel 54, vierde lid van de WWB ingetrokken.


1.7.

Bij besluit van 8 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat er geen grondslag is voor intrekking van de bijstand vanaf 24 juli 2013, aangezien het college al sinds de aanvraag dan wel nadien bekend was met het feit dat er voertuigen op naam van appellant geregistreerd stonden en hij, voor zover mogelijk, alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. Verder heeft appellant aangevoerd dat, mede gelet op zijn medische beperkingen, de hem geboden hersteltermijnen te kort waren en hij over het verlengen van die termijnen contact heeft gehad met de inkomensconsulente mevrouw F. Spruit (Spruit).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend. Gelet hierop ligt uitsluitend ter beoordeling voor of de intrekking van de bijstand met ingang van 24 juli 2013 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval als bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.


4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.4.

De door het college bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens zijn gegevens die van belang zijn voor de verlening van bijstand. Zonder de gevraagde gegevens kan het college immers niet een volledig inzicht in de financiële situatie van appellant krijgen. Het college heeft er in het opschortingsbesluit uitdrukkelijk op gewezen dat het geconstateerde verzuim zal kunnen leiden tot intrekking van de bijstand. Appellant heeft niet alle door het college verzochte gegevens binnen de daartoe gestelde hersteltermijn verstrekt. Zo heeft appellant niet de bankafschriften over de gehele periode verstrekt en heeft hij geen gegevens verstrekt met betrekking tot de contante stortingen. Reeds om die reden was het college bevoegd om de bijstand van appellant in te trekken. Wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de schriftelijke verklaring over de aanschaf en betaling van de auto met het kenteken [kenteken 2] en de overige gegevens, die het college eveneens had opgevraagd, zal daarom onbesproken worden gelaten.


4.5.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet binnen de gegeven hersteltermijn over de gevraagde gegevens kon beschikken. Voor zover het verstrekken van de ontbrekende gegevens meer tijd zou hebben gevergd dan de gegeven hersteltermijn, had appellant binnen de gegeven hersteltermijn het college om verlenging van die termijn kunnen verzoeken. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan. Terecht heeft de rechtbank op de daartoe vermelde gronden geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij Spruit heeft verzocht om verlenging van de termijnen. Dit betekent dat appellant van het niet tijdig indienen van de verzochte gegevens een verwijt kan worden gemaakt.


4.6.

Hiermee is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 24 juli 2013 in te trekken. Nu de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven hersteltermijn zijn verstrekt, doet volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) aan de bevoegdheid tot intrekking niet af dat appellant na die termijn alsnog een schriftelijke verklaring van zijn broer van 15 augustus 2013 heeft overgelegd. Wat appellant heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.





(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) P.C. de Wit






HD