Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 13-5821 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:362

Inhoudsindicatie
Geen recht op (aanvullende) bijstand. Het college mocht uitgaan van een fictief inkomen voor de door appellante verrichte werkzaamheden en dat het college daarbij het wettelijk minimumloon als maatstaf kon hanteren. Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden had appellante daarmee een inkomen kunnen ontvangen ter hoogte van ten minste de bijstandsnorm die voor een alleenstaande geldt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-13
Zaaknummer
13-5821 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5821 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 september 2013, 13/61 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Namens appellante is

mr. Van Daalhuizen verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft zich op 17 juli 2012 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), die zij op 7 augustus 2012 heeft ingediend.

1.2.

Bij besluit van 14 september 2012 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat zij niet is verschenen op de afspraak van 12 september 2012 om nog ontbrekende gegevens in te leveren, als gevolg waarvan het niet mogelijk was te beoordelen of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


1.3.

Bij besluit van 13 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college onder een wijziging van de motivering de bezwaren tegen het besluit van 14 september 2012 ongegrond verklaard. In bezwaar heeft appellante alsnog stukken ingeleverd, waaronder een arbeidsovereenkomst. Hieruit is gebleken dat appellante van 1 juni 2012 tot en met

30 november 2012 gedurende 40 uur per week heeft gewerkt voor [naam werkgever]. als business consultant voor een salaris van € 500,- per maand. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat van appellante verwacht mocht worden dat zij voor deze werkzaamheden ten minste het minimumloon had bedongen. Hiermee had appellante, gelet op het aantal uren per week dat zij is gaan werken, in ieder geval de voor haar geldende bijstandsnorm kunnen verdienen, zodat geen recht op bijstand bestaat per 17 juli 2012.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer zijn uitspraak van 25 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG5539) bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in beginsel moet worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daadwerkelijk worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen is onder meer ruimte, indien tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo’n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake is. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat een maandsalaris van € 500,- voor de door appellante vanuit Nederland verrichte business consultancy werkzaamheden ten behoeve van een in China gevestigde werkgever voor de duur van 40 uur per week geen reële vergoeding is. Hieraan doet volgens de rechtbank niet af dat dit salaris in China marktconform is, nog daargelaten dat appellante die stelling niet nader heeft onderbouwd. Ook de gestelde omstandigheid dat appellante hiermee een baan heeft gevonden met perspectief, waarbij zij slechts tijdelijk een aanvulling uit de WWB nodig heeft, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in dit geval mocht uitgaan van een fictief inkomen voor de door appellante verrichte werkzaamheden en dat het college daarbij het wettelijk minimumloon als maatstaf kon hanteren. Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden had appellante daarmee een inkomen kunnen ontvangen ter hoogte van ten minste de bijstandsnorm die voor een alleenstaande geldt, zodat geen recht bestaat op (aanvullende) bijstand.


2.2.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het ter zitting gedane beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake dient te zijn van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging die bij een betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Appellante heeft volgens de rechtbank geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit de conclusie volgt dat daarvan sprake is. Dat het college aan appellante eerder aanvullende bijstand heeft verleend toen zij voor een Duits bedrijf werkte en daarmee ook € 500,- per maand verdiende, is volgens de rechtbank in ieder geval niet een dergelijke omstandigheid, reeds omdat appellante bij het bedrijf in Duitsland een parttime dienstverband had.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft evenals in beroep, kort gezegd, aangevoerd dat niet mag worden uitgegaan van een fictief inkomen ter hoogte van het wettelijk minimumloon en voorts herhaald dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de in beroep ingediende gronden van appellante op juiste wijze besproken en afdoende gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Appellante heeft geen nadere gronden aangevoerd of op andere wijze aannemelijk gemaakt waarom naar haar opvatting het door de rechtbank gegeven oordeel over haar gronden onjuist dan wel onvolledig is, zodat geen aanleiding bestaat anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M. Fleuren




HD