Centrale Raad van Beroep, 19-10-2015 / 14-1798 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:3627

Inhoudsindicatie
Weigering IVA-uitkering. Appellant is niet duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Voldoende medische grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-19
Publicatiedatum
2015-10-22
Zaaknummer
14-1798 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1798 WIA

Datum uitspraak: 19 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

20 februari 2014, 13/2144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2015. Appellant is, zoals van tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN


1. Appellant heeft gewerkt als docent lichamelijk onderwijs en tevens als jeugdcoördinator bij een voetbalvereniging. Bij besluit van 26 oktober 2012 heeft het Uwv appellant bericht dat hij met ingang van 27 september 2012 in aanmerking komt voor een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) daarbij is bepaald dat hij 80 tot100% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 26 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2012 ongegrond verklaard onder de overweging dat niet volledig is uitgesloten dat de belastbaarheid van appellant nog kan verbeteren, waardoor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) niet aan de orde is.


2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat appellant ter onderbouwing van zijn beroep een viertal brieven heeft overgelegd van de behandelend neuroloog en een brief van de behandelend oogarts. Uit de brief van de oogarts blijkt dat appellant een allergische ontsteking van het oogbindvlies heeft die ondanks behandeling wisselend in lichte mate aanwezig blijft en waarvoor geen andere behandeling mogelijk lijkt. Uit de brieven van de neuroloog blijkt dat appellant zich heeft gemeld met een scala aan klachten, waaronder spierspanningshoofdpijn, nekklachten, oogklachten, misselijkheid en duizelingen. Uit deze brieven blijkt echter ook dat er geen specifieke neurologische verklaring is voor deze persisterende klachten. Naast symptoombestrijding zal verdere behandeling door de psychiater plaatsvinden. Nu een verbetering van de belastbaarheid van appellant met name te verwachten is van (adequate) behandeling van de psychische problematiek, vormt de door appellant overgelegde medische informatie geen weerlegging van hetgeen de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft vastgesteld en heeft geconcludeerd ten aanzien van de kansen op verbetering van de belastbaarheid van appellant op 27 september 2012. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft onderbouwd dat er voor appellant op 27 september 2012 een reële behandelmogelijkheid was met een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van appellant. Bij het einde van de wachttijd was appellant daarom niet duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. De door appellant overgelegde medische gegevens hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven prognose.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat er voor hem behandelmogelijkheden ontbreken. Appellant verwijst voor zijn standpunt naar een brief van 30 april 2014 van G. Vandoninck, psychiater. Daaruit komt naar voren dat de optie deeltijdbehandeling weliswaar is onderzocht maar niet haalbaar is gebleken. Er is uitdrukkelijk geen onwil bij appellant maar onmacht. Gezien de complexiteit, intensiteit en diversiteit van de klachten en beperkingen valt en viel nauwelijks verbetering van de belastbaarheid te verwachten. De klachten en beperkingen van appellant tonen zich al geruime tijd therapieresistent. Volgens appellant had de rechtbank hem in de gelegenheid moeten stellen om nog informatie van de GGZ-behandelaars te overleggen. Door ziekte van de behandelaar kon deze informatie niet tijdig in de procedure worden ingebracht.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In het rapport van

1 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het gestelde in de brief van Vandoninck besproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij gemotiveerd gesteld dat de medische informatie geen aanleiding geeft zijn standpunt te wijzigen.


4. Het oordeel van de Raad.


4.1.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Daarbij dient hij een inschatting te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht en dat, wat betreft de duurzaamheid van zijn belastbaarheid, appellant geen medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van appellant op

29 september 2012. Appellant was ten tijde van belang onder behandeling en de verzekeringsarts bezwaar en beroep kon er, gezien de bevindingen van zijn onderzoek, van uitgaan dat een behandeling van de psychische klachten van appellant tot een verbetering hiervan zou kunnen leiden zodat zijn psychische belastbaarheid op termijn zou toenemen. Er is geruime tijd verstreken tussen de datum van het instellen van het beroep en de behandeling ter zitting. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is geweest in deze periode gegevens van de behandelend psychiater in het geding te brengen. De rechtbank heeft daarom niet ten onrechte het eerst ter zitting gedane verzoek van appellant om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om informatie van de GGZ-behandelaars te overleggen afgewezen.


4.3.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, ingaand op de gronden in hoger beroep, in zijn rapport van 1 oktober 2014 nogmaals inzichtelijk gemotiveerd toegelicht op welke gronden hij de verwachting kon hebben dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding middels behandeling verbeteren zou. Ook uit de brief van Vandoninck blijkt niet dat er op 29 september 2012 geen verwachting meer bestond dat behandeling geen verbetering zou kunnen brengen.


4.4.

Dat de te verwachten verbeteringen zich niet hebben gerealiseerd en dat behandeling van appellant is beëindigd doet aan het vorenstaande niet af. Zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van de Raad van 16 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK7027), vormt de omstandigheid, dat een behandeling - achteraf gezien - geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan op datum in geding was te verwachten, op zichzelf geen grond om aan te nemen dat de verwachting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die bestond ten tijde van de in dit geding van belang zijnde datum, voor onjuist moet worden gehouden. Beoordeeld moet immers worden de inschatting die de verzekeringsartsen ten tijde van de beoordeling hebben gemaakt op grond van de toen voorhanden zijnde medische informatie, voor zover betrekking hebbend op de datum in geding. De inschatting van de verzekeringsartsen van de kans op herstel van de beperkingen van appellant per 29 september 2012 heeft op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden berust, zodat er geen aanleiding bestaat om het in het bestreden besluit vermelde standpunt van het Uwv over de duurzaamheid van de beperkingen van appellant voor onjuist te houden.


5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2015.




(getekend) P.H. Banda




(getekend) N. van Rooijen



UM