Centrale Raad van Beroep, 20-10-2015 / 14-5376 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3665

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een elektrisch fornuis en een wasdroger. Vaststaat dat de kosten van het fornuis en de wasdroger zijn gemaakt en voldaan voordat de aanvraag om bijzondere bijstand bij het college is ingediend. . Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat al in de kosten is voorzien door middel van een lening van € 750,- van een derde en daarom feitelijk sprake is van een schuld in de zin van artikel 13, eerste lid en onder g, van de WWB, zodat appellanten geen recht hebben op bijzondere bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
14-5376 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5376 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 augustus 2014, 14/2572 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [Appellante], beiden te [woonplaats], appellanten

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellanten zijn met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten hebben op 22 november 2013 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van een elektrisch fornuis en een wasdroger.


1.2.

Bij besluit van 26 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat al in de kosten is voorzien door middel van een lening van € 750,- van een derde en daarom feitelijk sprake is van een schuld in de zin van artikel 13, eerste lid en onder g, van de WWB, zodat appellanten geen recht hebben op bijzondere bijstand. Voorts heeft het college vastgesteld dat er bij het ontstaan van die schuld geen sprake was van een gebrek aan voldoende middelen en er ook geen aanleiding was om met toepassing van de artikelen 16 of 49 van de WWB een uitzondering te maken op deze uitsluitingsgrond.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben, samengevat, aangevoerd dat de aanschaf van een elektrisch fornuis en een wasdroger noodzakelijk was. Een buurvrouw heeft de benodigde bedragen voorgeschoten, maar dit maakt niet dat deze noodzakelijke kosten daarmee als schulden zijn aan te merken. Ten tijde van de aanvraag was nog wel degelijk sprake van kosten, zij het dat deze aan de buurvrouw dienden te worden voldaan. Ten tijde van het voorschieten door de buurvrouw beschikten appellanten niet over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten voor de vervanging van het fornuis en de wasdroger te voorzien. Ten tijde van de aanvraag van appellanten was dit evenmin het geval. Daarom heeft het college ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid en onder g, van de WWB.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vaststaat dat de kosten van het fornuis en de wasdroger zijn gemaakt en voldaan voordat de aanvraag om bijzondere bijstand bij het college is ingediend. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4669) hebben appellanten, gelet op artikel 35, eerste lid, in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB reeds hierom geen recht op bijzondere bijstand voor deze kosten.


4.2.

De grond dat deze kosten door de buurvrouw zijn voorgeschoten, maar dat dit voorschieten niet als schuld kan worden aangemerkt, kan niet worden gevolgd. Uit 4.1 volgt immers dat vaststaat dat de kosten voor de aanschaf van het fornuis en de wasdroger reeds zijn voldaan. Op het aanvraagformulier hebben appellanten ook zelf aangegeven dat zij bijzondere bijstand aanvragen voor een geldbedrag van € 750,-, welk bedrag zij bij iemand hebben geleend voor de aanschaf van een elektrisch fornuis en een wasdroger. Daaruit volgt dat appellanten de bijzondere bijstand hebben aangevraagd om de geldlening aan de buurvrouw af te lossen.


4.3.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige betaling van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van

artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB bijzondere bijstand voor schulden te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.


4.4.

De grond dat het college appellanten bijzondere bijstand had dienen toe te kennen voor de aflossing van de geldlening aan de buurvrouw omdat zij bij het ontstaan van deze schuld niet over de middelen beschikten om de kosten van de aanschaf van een fornuis en een wasdroger te voldoen, slaagt niet. Ten tijde van het ontstaan van die schuld beschikten appellanten immers over een maandinkomen van € 1.396,23 en over een vermogen in de vorm van een tegoed op hun spaarrekening van € 2.642,-. Dit betekent dat appellanten toen beschikten over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB daarom aan het verlenen van bijstand voor die schuld in de weg stond. Niet gebleken is van zeer dringende redenen om van die bepaling af te wijken.


4.5.

Nu uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen, zal de Raad de gronden over de noodzaak van de aanschaf van een elektrisch fornuis en een wasdroger hier onbesproken laten.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.


4.7.

Gelet op 4.6 bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellanten zal daarom worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) J.L. Meijer




HD