Centrale Raad van Beroep, 20-10-2015 / 14-5269 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3666

Inhoudsindicatie
Terugvordering. Nog niet betaalde leenbijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
14-5269 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5269 WWB

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 juli 2014, 14/2452 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden oefent het dagelijks bestuur met ingang van 1 januari 2015 de bevoegdheden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van de Reimerswaal. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur tevens verstaan het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal.

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van de Velden.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 19 augustus 2009 bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het dagelijks bestuur aan appellante bijzondere bijstand verleend voor onder meer de kosten van het energiebedrijf en de huurkosten. Deze bijstand is in de vorm van een renteloze lening verleend tot een bedrag van € 1.949,04.


1.3.

Bij besluit van 3 september 2009 heeft het dagelijks bestuur aan appellante bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening verleend tot een bedrag van € 6.662,- voor de kosten van woninginrichting. Deze lening is verstrekt onder de voorwaarde dat appellante maandelijks een bedrag van € 45,33 aflost. Daarbij heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de restantschuld zal worden kwijtgescholden indien appellante gedurende drie jaar aan haar betalingsverplichting heeft voldaan.


1.4.

Bij besluit van 12 maart 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2012 beëindigd (lees: ingetrokken). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.


1.5.

Appellante heeft over de periode van 25 april 2012 tot 1 september 2012 opnieuw bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Ook tijdens deze bijstandsperiode heeft het dagelijks bestuur maandelijks een bedrag op de bijstand van appellante ingehouden ter aflossing van de aan haar verleende leenbijstand.


1.6.

Bij brieven van 8 november 2012, 11 december 2012, 3 april 2013, 29 mei 2013 en

8 augustus 2013 heeft het dagelijks bestuur appellante verzocht de nog openstaande leenbijstand te voldoen middels een maandelijkse aflossing. Aan deze verzoeken heeft appellante geen gehoor gegeven.


1.7.

Bij besluit van 30 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 april 2014 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur het nog openstaande bedrag van € 5.908,06 aan leenbijstand van appellante teruggevorderd op de grond dat appellante de uit de geldleningen voortvloeiende aflossingsverplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in de veronderstelling was dat zij, via inhouding op haar bijstand, gedurende drie jaar heeft afgelost en om die reden aan de voorwaarde voor kwijtschelding heeft voldaan. Het dagelijks bestuur heeft op geen enkele wijze aan haar kenbaar gemaakt dat met ingang van 1 januari 2012 niet langer werd ingehouden op haar bijstand. Het kan haar, mede gelet op het feit dat de bijstand jaarlijks in de maand januari wordt gewijzigd, niet verweten worden dat zij de stopzetting van de inhouding niet heeft onderkend. Het een en ander klemt te meer omdat de inhouding is gestopt kort voordat zij de termijn van drie jaar zou volmaken. De terugvordering van de leenbijstand is volgens appellante dan ook onterecht.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen.


4.2.

Vaststaat dat appellante ten tijde van het terugvorderingsbesluit slechts een gedeelte van het bedrag dat zij aan leenbijstand heeft ontvangen, via maandelijkse inhouding op haar bijstand heeft afgelost.


4.3.

Ten aanzien van leenbijstand voor inrichtingskosten voert het dagelijks bestuur beleid, inhoudende dat het restant van de leenbijstand wordt kwijtgescholden indien gedurende drie jaar aan de betalingsverplichting is voldaan. Gebleken is dat appellante slechts gedurende ongeveer 32 maanden heeft afgelost op dit deel van de leenbijstand zodat zij niet aan de voorwaarde voor kwijtschelding heeft voldaan. Appellante had kunnen begrijpen dat met de intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2012 ook de inhoudingen op de bijstand werden stopgezet.


4.4.

Nu appellante de leenbijstand, ondanks diverse verzoeken daartoe, niet heeft terugbetaald, was het dagelijks bestuur bevoegd om tot terugvordering van de nog niet terugbetaalde leenbijstand over te gaan. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college redelijkerwijs geen gebruik had mogen maken van deze bevoegdheid.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) J.L. Meijer



HD