Centrale Raad van Beroep, 12-02-2015 / 13-4029 MAW


ECLI:NL:CRVB:2015:370

Inhoudsindicatie
Appellant is definitief ontheven uit de officiersopleiding. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem niet kon worden gevergd de opleiding op 17 augustus 2011 te hervatten. Appellant heeft gesteld dat hij had gehoord dat hij bij het hervatten van zijn opleiding een risico liep, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. In het licht van de afspraken die appellant met de commandant had gemaakt met het oog op het hervatten van zijn opleiding, onder meer over een veilige leeromgeving, mocht van appellant worden verwacht dat hij de commandant voldoende informatie had verstrekt om daarnaar een onderzoek te kunnen instellen en zo nodig maatregelen te treffen. Dat appellant zijn bron wilde beschermen, had hem er niet van hoeven weerhouden deze informatie met de commandant te delen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-12
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-4029 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4029 MAW

Datum uitspraak: 12 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2013, 13/349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Basten Batenburg. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema en mr. A. Verkroost.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 13 augustus 2008 aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en aangewezen voor het volgen van de officiersopleiding aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA). Appellant volgde zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA).


1.2.

Op 12 november 2008 heeft de Vaste Commissie Examens Korte Officiersopleidingen KMA (VCE) geadviseerd appellant te ontheffen uit de opleiding, hem te plaatsen in het Individueel Begeleidingspeloton (IBP) en zijn opleiding te verlengen, ook al achtte de VCE de kans van slagen van appellant voor de opleiding zeer laag. Aan dit advies lag ten grondslag dat appellant conflicten had gehad binnen zijn groep en daarin een aparte positie was gaan innemen. Bij besluit van 8 december 2008 is in overeenstemming met dit advies beslist en is appellant daarnaast een coachingstraject opgedragen.


1.3.

In februari 2009 heeft appellant de opleiding hervat. In verband met gezondheidsproblemen is hij per 1 september 2009 van de opleiding ontheven en weer geplaatst in het IBP, onder verlenging van de opleidingsduur.


1.3.1.

Op 20 april 2010 was appellant betrokken bij een incident tijdens een schietoefening. Na dit incident heeft appellant een klacht ingediend wegens discriminerend gedrag van de instructeur B. Een Commissie van Huishoudelijk Onderzoek (CHO) heeft deze klacht en het incident op de schietbaan onderzocht. De CHO heeft op 8 juli 2010 een rapport uitgebracht. De CHO heeft geen aanwijzingen gevonden voor ongewenst of discriminerend gedrag jegens appellant. Volgens de CHO bestaat grote twijfel over de opleidbaarheid en geschiktheid van appellant als officier. Bij ambtsbericht van 8 november 2010 is appellant gewaarschuwd en is hem te kennen gegeven dat zijn handelen bij het incident op de schietbaan onverantwoord was en een levensgevaarlijke situatie voor zijn collega’s heeft opgeleverd.


1.3.2.

Naar aanleiding van de klacht van appellant heeft de commandant van de NLDA op

8 november 2010 de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) verzocht te onderzoeken of er voor appellant een veilige werk- en leeromgeving bestaat binnen de opleidingsomgeving van de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Gedurende het onderzoek is de beslissing over de hervatting van de opleiding door appellant, waaraan hij aanvankelijk in februari 2011 weer zou beginnen, uitgesteld totdat de resultaten van het onderzoek van de COID bekend zouden zijn. De COID heeft op 3 maart 2011 het onderzoeksrapport uitgebracht. Volgens de COID bestaat er voor appellant in essentie een veilige werk- en leefomgeving in de opleidingsomgeving van de KMA. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op discriminatie van appellant. Wel is gebleken dat soms grappen worden gemaakt die niet specifiek zijn gericht tegen appellant, maar die mogelijk wel als persoonlijk discriminerend kunnen worden ervaren. Ook heeft de COID geconcludeerd dat vanwege het gedrag van appellant en zijn uitlatingen, die als badinerend kunnen worden ervaren, een reële kans bestaat dat conflictsituaties tussen hem en kaderleden zullen optreden.


1.3.3.

Appellant heeft bij de Nationale ombudsman (No) een klacht ingediend over discriminatie en ander ongewenst gedrag bij zijn opleiding aan de KMA en de wijze waarop de COID daarnaar een onderzoek heeft ingesteld. De No heeft de klacht doorgestuurd naar de Commandant Commando Dienstencentra die een klachtencommissie heeft ingesteld om de klacht van appellant te onderzoeken. De klachtencommissie heeft in zijn rapport van 16 juli 2012 onder meer geconcludeerd dat de melding van appellant van discriminerende grappen serieus is genomen en voldoende maatregelen zijn genomen om te borgen dat adequaat wordt opgetreden indien dergelijk ongewenst gedrag wordt vertoond. Het onderzoek door de COID is volgens de klachtencommissie zorgvuldig uitgevoerd.


1.3.4.

Over een vijftal volgens appellant discriminerende uitlatingen heeft hij ook een klacht ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens (college). Het college heeft op

5 maart 2013 (oordeel 2013-26) geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd om feiten aan te voeren die doen vermoeden dat zijn leidinggevenden jegens hem een onderscheid op grond van ras of godsdienst hebben gemaakt door discriminatoire opmerkingen of grappen te maken.


1.4.

In april 2011 heeft appellant met de Commandant Opleidingen KMA (commandant) gesproken over het vervolgen van zijn opleiding. Bij brief van 17 mei 2011 heeft de commandant de daarover gemaakte afspraken bevestigd. Afgesproken is dat appellant de opleiding op 17 augustus 2011 hervat en dat hij daaraan voorafgaand een ontwikkelassessment doet. Verder zijn afspraken gemaakt over coaching en voortgangsgesprekken en over het zorgdragen voor een zo veilig mogelijke leeromgeving, onder meer door het gericht aanwijzen van instructeurs.


1.5.

Op 16 augustus 2011 heeft de commandant appellant gebeld om hem succes te wensen met het vervolgen van zijn opleiding. Appellant heeft toen laten weten dat hij de opleiding niet hervat. Hij had gesproken met een burgermedewerker werkzaam op de KMA die hem had verteld dat hij zou worden ‘aangepakt’ wanneer hij weer met de opleiding zou beginnen. Dit gaf bij appellant een groot gevoel van onveiligheid.


1.6.

Op 23 november 2011 heeft de VCE geadviseerd appellant niet weer in opleiding te nemen en hem voor te dragen voor ontslag uit de militaire dienst. Volgens de VCE is appellant niet opleidbaar, omdat zijn gevoelens van verwijt en achterdocht zijn houding en gedrag in grote mate beïnvloeden.


1.7.

Bij besluit van 24 augustus 2012 is appellant met ingang van 17 juli 2012 definitief ontheven uit de opleiding, omdat hij de benodigde capaciteiten van een adspirant-officier mist. Appellant is niet in staat om de vereiste leercurve voor wat betreft de ontwikkeling van zijn competenties te volgen, waardoor hij de opleiding niet succesvol zal kunnen afsluiten. In verband met de beëindiging van de opleiding zal appellant worden voorgedragen voor ontslag.


1.8.

Bij besluit van 11 december 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Volgens de minister heeft appellant geen belang bij zijn bezwaar, omdat hij zonder goede reden de opleiding niet heeft hervat. Om deze reden en omdat hij niet (geheel) voldoet aan de gestelde competenties en evenmin de verwachting bestaat dat hij daaraan zal kunnen voldoen, is de opleiding beëindigd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen goede verklaring of onderbouwing heeft gegeven voor het niet starten met de opleiding. De minister heeft er alles aan gedaan om de klachten van appellant, dat hij vanwege discriminatie geen eerlijke kans heeft gekregen, te objectiveren, wat niet is gelukt. De minister heeft daarom in redelijkheid appellant van de opleiding kunnen ontheffen.


3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom hij geen goede redenen had de opleiding niet te hervatten en niet heeft beoordeeld of sprake is van een gebrek aan competenties. Appellant blijft erbij dat hij tijdens de opleiding op de KMA is gediscrimineerd. Hij heeft de Raad verzocht hierover getuigen te horen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant betoogt terecht dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op de door hem aangevoerde redenen om de opleiding niet te hervatten en op zijn betwisting van de negatieve beoordeling van zijn competenties. De Raad zal wat appellant hierover naar voren heeft gebracht bij de beoordeling van het hoger beroep betrekken.


4.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem niet kon worden gevergd de opleiding op 17 augustus 2011 te hervatten. Appellant heeft gesteld dat hij had gehoord dat hij bij het hervatten van zijn opleiding een risico liep, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. In het licht van de afspraken die appellant met de commandant had gemaakt met het oog op het hervatten van zijn opleiding, onder meer over een veilige leeromgeving, mocht van appellant worden verwacht dat hij de commandant voldoende informatie had verstrekt om daarnaar een onderzoek te kunnen instellen en zo nodig maatregelen te treffen. Dat appellant zijn bron wilde beschermen, had hem er niet van hoeven weerhouden deze informatie met de commandant te delen.


4.3.

Het besluit de opleiding van appellant te beëindigen berust verder op een beoordeling van zijn competenties en een inschatting van de kans op het succesvol kunnen afsluiten van de officiersopleiding. Voor zover het bestreden besluit berust op een beoordeling wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak (uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7050) dat de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt is tot de vraag of die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.


4.4.

De minister heeft het standpunt ingenomen dat appellant op vier competenties (zelfreflectie, gebrekkige gezagsaanvaarding, stressbestendigheid/incasseringsvermogen en communicatieve vaardigheden) onvoldoende scoort. In het besluit van 24 augustus 2012 heeft de minister dit oordeel over het gebrek aan competenties van een feitelijke onderbouwing voorzien. Daarbij is tevens verwezen naar het advies van de VCE. In aanmerking genomen deze feitelijke onderbouwing, die appellant niet inhoudelijk heeft bestreden, bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de minister op onvoldoende gronden berust. Dat in 2009 de competenties van appellant positiever zijn beoordeeld, kan daaraan, anders dan appellant meent, niet afdoen, aangezien de minister bij de beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, mede feiten en omstandigheden heeft betrokken die zich na 2009 hebben voorgedaan.


4.5.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het functioneren van appellant tijdens de eerste twee perioden van zijn opleiding in negatieve zin is beïnvloed door discriminatoir gedrag van zijn instructeurs. Appellant heeft zijn klacht over het discriminatoire gedrag gebaseerd op een vijftal uitlatingen waarvan ondanks veelvuldig onderzoek door verschillende instanties het discriminatoire karakter jegens appellant niet is komen vast te staan. Daar komt bij dat de beoordeling van de competenties van appellant niet uitsluitend is gebaseerd op zijn functioneren tijdens de opleiding, maar voor een belangrijk deel ook op zijn houding en gedrag nadat hij van de opleiding was ontheven. Volgens de VCE werd het gedrag van appellant in die periode in belangrijke mate beïnvloed door gevoelens van verwijt en achterdocht richting de krijgsmacht. Dat appellant in die periode heeft laten zien onvoldoende zelfreflectie en een gebrekkige gezagsaanvaarding te hebben en over onvoldoende stressbestendigheid, incasseringsvermogen en interpersoonlijke sensitiviteit te beschikken, heeft de minister voldoende onderbouwd. De door appellant aan de orde gestelde discriminatoire uitlatingen van geruime tijd daarvoor staan daar los van.


4.6.

Het bestreden besluit kan de rechterlijke toets doorstaan. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het doen van nader onderzoek naar het door appellant gestelde discriminatoire gedrag. Het verzoek van appellant om daarover getuigen te horen wijst de Raad daarom af.


4.7.

Uit wat onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, met verbetering van gronden, gelet op wat onder 4.1. is overwogen.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) B. Fotchind




HD