Centrale Raad van Beroep, 02-10-2015 / 15-6208 AWBZ-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:3713

Inhoudsindicatie
Hangende het hoger beroep tegen de indicatie van CIZ voor AWBZ-zorg, verzoekt appellant met onderhavige VV om een pgb waarmee hij kan voorzien in de door hem benodigde zorg. Geen sprake van formele en materiële connexiteit met de onderhavige bestreden besluiten. Het Zorgkantoor beslist over verlening van een pgb.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-02
Publicatiedatum
2015-10-27
Zaaknummer
15-6208 AWBZ-VV
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/6208 AWBZ-VV

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[naam] te [woonplaats] (verzoeker)

CIZ



Zitting heeft: J. Brand

Griffier: N. Veenstra

Ter zitting zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, advocaat. Namens CIZ is niemand verschenen.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.


Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:


Bij beslissing op bezwaar van 29 november 2011 (bestreden besluit 1) heeft CIZ aan verzoeker een indicatie afgegeven voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functies begeleiding individueel, klasse 2, en begeleiding in groepsverband (zonder vervoer), klasse 4, voor de periode van

24 juni 2011 tot en met 23 juni 2026, te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).


De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 2 juli 2012 het beroep tegen bestreden besluit

1 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.


De Raad heeft op 7 mei 2014 een tussenuitspraak gedaan waarbij CIZ is opgedragen nader onderzoek te doen naar de medische situatie van verzoeker en de omvang van de door hem benodigde zorg. Op 9 juli 2014 heeft CIZ een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Naar aanleiding hiervan heeft op 25 februari 2015 een nadere zitting plaatsgevonden waarna het onderzoek door de Raad is heropend en CIZ is opgedragen om opnieuw onderzoek te doen naar de zorgbehoefte van verzoeker.


Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat aan verzoeker een pgb wordt verleend waarmee hij kan voorzien in de door hem benodigde zorg.


Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Dat wil zeggen dat de gevorderde voorlopige voorziening betrekking moet hebben op het - connexe - in de hoofdzaak bestreden besluit (respectievelijk, in voorkomende gevallen, op het daaraan voorafgegane primaire besluit).


Daarvan is in dit geval geen sprake. Gelet op de systematiek van de toepasselijke regelgeving kan het verzoek om een voorlopige voorziening slechts betrekking hebben op een besluit van het Zorgkantoor waarbij wordt beslist over de verlening van het door verzoeker gewenste pgb. Het is immers het Zorgkantoor, en niet CIZ, dat bevoegd is om op basis van een gestelde indicatie te besluiten over de wijze van realisatie van die zorg, al dan niet in de vorm van een pgb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9439). Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening geen betrekking heeft op de door CIZ genomen bestreden besluiten 1 en 2.


Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.


De griffier De voorzitter


(getekend) N. Veenstra (getekend) J. Brand