Centrale Raad van Beroep, 27-10-2015 / 15/1238 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:3733

Inhoudsindicatie
Afwijzing schadevergoeding. Artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-27
Publicatiedatum
2015-11-02
Zaaknummer
15/1238 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/1238 WWB

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

5 januari 2015, 14/7412 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Biemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met het onderzoek in de zaak 15/1239 plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Biemond. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de zaak 15/1239 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 16 mei 2012 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 8 juni 2012 heeft het college de aanvraag van appellante buiten behandeling gesteld omdat appellante de gevraagde gegevens niet of niet volledig binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.


1.2.

Appellante heeft op 3 augustus 2012 opnieuw een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend. Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het college appellante met ingang van 13 juni 2012 bijstand toegekend.


1.3.

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 8 juni 2012 en 28 augustus 2012 gegrond verklaard en appellante bijstand toegekend met ingang van 23 februari 2012 op de grond dat 23 februari 2012 de eerste meldingsdatum is.


1.4.

Bij brief van 13 januari 2014 heeft appellante verzocht om vergoeding van schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 28 augustus 2012, bestaande uit achterstanden in de betaling van premie van de zorgverzekering, de daardoor verhoogde premie en de bijkomende incassokosten. In beroep heeft appellante haar verzoek om schade aangevuld en bewijsstukken overgelegd van schulden van appellante aan [D], [A], [M], [L] en [Z].


1.5.

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft het college € 74,35 aan wettelijke rente toegekend over de nabetaling van bijstand die betrekking had op de periode van 23 februari 2012 tot en met 31 juli 2012 (schadeperiode). Voor het overige heeft het college het verzoek om vergoeding van materiële schade afgewezen.


1.6.

Bij besluit van 24 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2014 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden waarin aanleiding moet worden gezien voor het toekennen van een hogere schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.


4.2.

Appellante heeft aan haar inleidend verzoek om vergoeding van schade de onrechtmatigheid van het besluit van 28 augustus 2012 ten grondslag gelegd. Uit 1.3 volgt dat het college dit besluit heeft ingetrokken en alsnog bijstand heeft toegekend over de schadeperiode. Daarmee is de onrechtmatigheid van dit besluit en de toerekening aan het bestuursorgaan gegeven.


4.3.

Niet in geschil is dat het college de bij het besluit van 21 februari 2014 toegekende wettelijke rente juist heeft berekend. In geschil is alleen of daarnaast grond bestaat voor toewijzing van vergoeding van schade, zoals appellante heeft verzocht.


4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317) dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, waarbij in het bijzonder van belang is de rechtspraak van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van onrechtmatige overheidsbesluiten.


4.5.

Appellante stelt schade te hebben geleden als direct gevolg van het niet betaalbaar stellen van bijstand, omdat daardoor haar kosten zijn opgelopen. De gestelde schade vloeit voort uit de vertraging in de betaling van een geldsom (de bijstand) ten gevolge van het onrechtmatige besluit van 28 augustus 2012. Artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente. Zie in dit verband de rechtspraak van de Hoge Raad (arresten van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2014:AR0220 en van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760).


4.6.

Op grond van wat is overwogen onder 4.4 en 4.5 bestaat geen grond om een hogere schadevergoeding dan de reeds toegekende wettelijke rente toe te kennen.


4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C. Moustaïne




HD