Centrale Raad van Beroep, 29-10-2015 / 14/6263 MAW


ECLI:NL:CRVB:2015:3769

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum functie in geschil. Het al dan niet toewijzen van een functie berust op een discretionaire bevoegdheid, de toetsing door de bestuursrechter is terughoudend. De noodzaak tot het benoemen van een functionaris op de functie van [naam functie B] bestond reeds vóór 3 maart 2014, de noodzaak is in de nota slechts op schrift gezet. Appellant heeft niet in redelijkheid de functie pas per 1 mei 2014 aan betrokkene kunnen toewijzen. Mede van belang is dat betrokkene de functie vanaf 2 februari 2012 heeft vervuld, dat hij de functie op de gewenste begindatum van functievervulling van 1 november 2013 daadwerkelijk uitoefende en dat betrokkene voor deze waarneming al vanaf 1 februari 2013 geen waarnemingstoelage meer ontving.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-29
Publicatiedatum
2015-10-30
Zaaknummer
14/6263 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/6263 MAW

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 oktober 2014, 14/3214 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C. van Kins een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.R. van den Ende-de Boer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kins.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1 juni 2010 geplaatst in de functie van [naam functie A] [naam bureau] ([bureau]), in de rang van adjudant onderofficier. Bij besluit van 23 februari 2012 is betrokkene met ingang van 2 februari 2012 belast met de volledige waarneming van de functie van [naam functie B], aan welke functie de rang van eerste luitenant is verbonden. Bij besluit van 23 oktober 2012 is deze waarneming verlengd tot 2 februari 2013. In de periode van 2 februari 2012 tot 1 februari 2013 heeft betrokkene voor deze waarneming een waarnemingstoelage ontvangen. Bij brief van 20 maart 2013 is betrokkene verzocht de functie van [naam functie B], ondanks dat betrokkene niet meer in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage, te blijven uitvoeren totdat deze functie, die op dat moment al meer dan twee jaar vacant was, is vervuld. De vacature voor de functie van [naam functie B] is sinds begin 2013 vier maal eerder opengesteld geweest. De laatste openstelling van de vacature (met openingsdatum 13 augustus 2013 en sluitingsdatum 3 september 2013) heeft als gewenste begindatum functievervulling 1 november 2013. In verband met zijn belangstelling voor deze functie heeft betrokkene binnen de openstellingsperiode zijn cv ingezonden.


1.2.

Bij e-mailbericht van 27 november 2013 is aan betrokkene gemeld dat hij op dat moment niet in aanmerking komt en dat de selectieronde voor de functie van [naam functie B] is beëindigd zonder dat er een functietoewijzing heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt.


1.3.

In de nota van 3 maart 2014 heeft de commandant van de 107 Aerial Systems batterij (ASBt), majoor [naam majoor], zijn zorgen geuit over de inzetbaarheid van de eenheid. De commandant heeft aangegeven dat geen geschikte kandidaten buiten de ASBt aanwezig zijn, dat de functie van [naam functie B] met spoed moet worden vervuld en daarbij aangegeven dat betrokkene daarvoor in aanmerking zou moeten komen.


1.4.

Bij de beslissing op bezwaar van 10 maart 2014 (bestreden besluit I) heeft appellant het primaire besluit gehandhaafd en toegelicht dat betrokkene niet in aanmerking komt voor de functie.


1.5.

Bij besluit van 17 april 2014 (bestreden besluit II) heeft appellant alsnog besloten om aan betrokkene met ingang van 1 mei 2014 de functie van [naam functie B] toe te wijzen. Naar aanleiding van de nota van 3 maart 2014 heeft appellant een nieuwe afweging gemaakt waarbij hij het (operationele) organisatiebelang zwaar heeft laten meewegen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en, voor zover thans nog van belang, het bestreden besluit II vernietigd, voorzover daarin als ingangsdatum van de functietoewijzing 1 mei 2014 wordt genoemd, en de ingangsdatum bepaald op 1 november 2013.


3. Het hoger beroep richt zich uitsluitend op de ingangsdatum van de functie. Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit I en de nota van 3 maart 2014 elkaar hebben gekruist. Naar aanleiding van de nota van 3 maart 2014 heeft er een nieuwe belangenafweging plaatsgevonden. Het besluit om de functie per 1 mei 2014 aan betrokkene toe te wijzen is deugdelijk gemotiveerd.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Het al dan niet toewijzen van een functie berust op een discretionaire bevoegdheid. Dit brengt met zich dat de toetsing door de bestuursrechter van de gebruikmaking van die bevoegdheid terughoudend moet zijn (uitspraak van 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3520). De toetsing door de bestuursrechter is beperkt tot de vraag of appellant, gelet op hetgeen betrokkene tegen het besluit heeft ingebracht, niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel of dat besluit in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel.


4.2.

De beroepsgrond van appellant dat de nota van 3 maart 2014 voldoende aanleiding gaf de functie aan betrokkene toe te wijzen, maar niet eerder dan per 1 mei 2014, slaagt niet. Uit diverse gedingstukken, waaronder de nota van 20 maart 2013 en de beoordeling van betrokkene van 11 september 2013, blijkt dat de noodzaak tot het benoemen van een functionaris op de functie van [naam functie B] reeds vóór 3 maart 2014 bestond. Met de nota van 3 maart 2014 is de noodzaak tot het benoemen van een functionaris op de functie niet ontstaan, deze bestond al eerder. De noodzaak is in de nota slechts op schrift gezet. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant niet in redelijkheid de functie pas per 1 mei 2014 aan betrokkene heeft kunnen toewijzen. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat betrokkene de functie vanaf 2 februari 2012 heeft vervuld, dat hij de functie op de gewenste begindatum van functievervulling van 1 november 2013 daadwerkelijk uitoefende en dat betrokkene voor deze waarneming al vanaf 1 februari 2013 geen waarnemingstoelage meer ontving. Dat de nota van 3 maart 2014 en het bestreden besluit I elkaar hebben gekruist, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit voor rekening en risico van appellant dient te blijven.


4.3.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Er is aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 980,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en

A.M. van der Leeden als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2015.





(getekend) C.H. Bangma




(getekend) M.S. Boomhouwer





HD