Centrale Raad van Beroep, 29-10-2015 / 14/5121 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:3771

Inhoudsindicatie
Appellant had het plaatsingsbesluit kunnen en moeten aanvechten in een beroepsprocedure als hij van mening was dat zijn feitelijke werkzaamheden niet overeenkwamen met de functie [functie B]. Nu appellant met zijn aanvraag van 27 december 2012 hetzelfde rechtsgevolg beoogde als in de bezwaarprocedure tegen het aanstellingsbesluit van 28 oktober 2010, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er sprake is van een herhaalde aanvraag. Volgens vaste rechtspraak is hierop artikel 4:6 van de Awb van toepassing. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden heeft aangevoerd sinds het besluit van 24 oktober 2011. Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, wordt geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de plaatsing in de functie van [functie B] onjuist is geweest.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-29
Publicatiedatum
2015-10-30
Zaaknummer
14/5121 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5121 AW

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

1 augustus 2014, 13/5998 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Utrecht (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F. van Esseveldt hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. drs. M.P. Korevaar, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Esseveldt. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Korevaar, S.J.W. Hanken en drs. F. Azougagh.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds maart 2005 werkzaam als [naam functie A] bij de rechtsvoorganger van de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). Na een reorganisatie is appellant bij besluit van 28 oktober 2010 aangesteld bij de VRU, waarbij zijn functie is ingepast in de organieke functie van [naam functie B] ([functie B]) per 1 november 2010. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt en aangevoerd dat zijn werkzaamheden niet overeenkomen met de functiebeschrijving van [naam functie A]. Bij beslissing op bezwaar van 24 oktober 2011 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar - voor zover thans van belang - ongegrond verklaard, omdat de functie van [naam functie A] terecht is ingepast in de functie van [functie B]. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant nooit een bezwaarprocedure is gestart tegen de weigering de functiebeschrijving aan te passen en dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de validatieronde omdat zijn leidinggevende daar niet aan wilde meewerken, zodat bij de inpassing terecht is uitgegaan van de functiebeschrijving behorende bij de functie van [naam functie A].


1.2.

Op 27 december 2012 heeft appellant een verzoek gedaan om zijn functie van [functie B] opnieuw te beschrijven en te waarderen. Bij besluit van

24 januari 2013 is het verzoek van appellant afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 oktober 2013 (bestreden besluit) omdat het, samengevat, ging om een herhaald verzoek zonder dat daar nieuwe feiten aan ten grondslag zijn gelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het dagelijks bestuur het verzoek van appellant terecht en op goede gronden onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgewezen nu niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sinds het eerdere besluit van 24 oktober 2011.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft betoogd dat zijn aanvraag van 27 december 2012 geen herhaalde aanvraag is. Dit betoog slaagt niet. In bezwaar tegen het aanstellingsbesluit van 28 oktober 2010 heeft appellant al aangevoerd dat zijn feitelijke werkzaamheden niet overeenkwamen met de functiebeschrijving van [naam functie A], omdat hij in 2007 en 2008 vanwege het vertrek van collega’s taken erbij had gekregen. Weliswaar heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit aanstellingsbesluit, maar hij heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2011 waarbij zijn bezwaar in zoverre ongegrond was verklaard. Daarmee heeft appellant berust in het feit dat hij was geplaatst in de functie van [functie B] omdat zijn feitelijke werkzaamheden met deze functie overeenkwamen. Het standpunt van appellant dat zijn leidinggevende destijds geen medewerking heeft verleend aan de validatieronde, laat onverlet dat appellant het plaatsingsbesluit had kunnen en moeten aanvechten in een beroepsprocedure als hij van mening was dat zijn feitelijke werkzaamheden niet overeenkwamen met de functie [functie B]. Nu appellant met zijn aanvraag van 27 december 2012 hetzelfde rechtsgevolg beoogde als in de bezwaarprocedure tegen het aanstellingsbesluit van 28 oktober 2010, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er sprake is van een herhaalde aanvraag.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n herhaalde aanvraag artikel 4:6 van de Awb van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan de aanvraag afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij de aanvraag is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan de aanvraag op deze manier afwijzen.


4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden heeft aangevoerd sinds het besluit van 24 oktober 2011, omdat appellant zich nog steeds op het standpunt stelt dat hij er na het vertrek van zijn collega’s in 2007 en 2008 taken heeft bijgekregen. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag van appellant voor wat betreft de periode voorafgaand aan de aanvraag terecht en op goede gronden afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb.


4.4.

Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, wordt geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de plaatsing in de functie van [functie B] onjuist is geweest. Appellant heeft aangevoerd dat hij sinds het vertrek van collega’s in 2008 zelf zorgdraagt voor de kwaliteitsborging en de paraatheid van het materieel en materiaal, zoals is vermeld in de functiebeschrijving van medewerker UML/TD1. Het dagelijks bestuur heeft onder verwijzing naar een notitie van 13 juni 2013 van de leidinggevende van appellant naar voren gebracht dat appellant weliswaar zorgdraagt voor de paraatheid van het materieel en materiaal, maar dat appellant niet verantwoordelijk is voor de kwaliteit daarvan, nu zijn teamleider, medewerker UML/TD1, daar verantwoordelijk voor is. Met het dagelijks bestuur en anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat de feitelijke werkzaamheden van appellant overeenkomen met de functiebeschrijving van [functie B]. Weliswaar wordt appellant door de UML/TD1 in hoge mate de vrije hand gelaten bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, maar dit betekent niet dat hij ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het materiaal.

Het voorgaande brengt mee dat geen aanleiding bestaat de inpassing van appellant in de organieke functie van [functie B] ook voor zover deze ziet op de periode vanaf de aanvraag, te herzien.


4.5.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, zij het met verbetering van gronden, worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD