Centrale Raad van Beroep, 06-02-2015 / 13-6412 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:383

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft de door betrokkene na de hoorzitting in bezwaar overgelegde, op de periode van 8 juli 1990 tot en met 2 mei 1991 betrekking hebbende, aantekeningen van neuroloog Van de Werd terecht als een nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb aangemerkt. De door de rechtbank voor dit oordeel gegeven motivering wordt onderschreven. Appellant heeft de aanvraag van betrokkene van 9 mei 2012 ten onrechte met toepassing van het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Intrekking van (voorwaardelijk) incidenteel appèl. Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen. Tegen het nieuwe besluit kan slechts bij de Raad beroep worden ingesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-06
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-6412 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6412 WAO, 14/4099 WAO

Datum uitspraak: 6 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

23 oktober 2013, 13/1208 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene], [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld.

Appellant heeft naar aanleiding hiervan een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Betrokkene is verschenen, vergezeld door J.E.M. van Roon.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam geweest als sloper. In juli 1990 heeft hij een auto-ongeval gehad, waarna hij van 8 juli 1990 tot 13 juli 1990 in het ziekenhuis heeft verbleven. In een rapport van 30 juli 1990 heeft de behandelend neuroloog H.J.J.M. Van de Werd voor betrokkene de diagnose contusio cerebri (hersenkneuzing) gesteld. In een kennisgeving aan de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) van 22 maart 1991 is vermeld dat betrokkene met ingang van 2 oktober 1990 ten gevolge van het auto-ongeval is uitgevallen. Uit deze kennisgeving en een melding aan de GMD van 16 mei 1991 blijkt voorts dat betrokkene hoofdpijnklachten had en onder behandeling was van een psychiater.


1.2.

In een brief van 29 november 1991 heeft psychiater H.G. Hennenberg te kennen gegeven betrokkene van 22 februari 1991 tot en met 22 november 1991 te hebben behandeld in verband met chronische hoofdpijn en depressieve klachten. Er was sprake van een depressief beeld, met waarschijnlijk enige somatisering. De behandeling is op 22 november 1991 afgesloten. Volgens Hennenberg verkeerde betrokkene op dat moment in een voortreffelijke conditie en klaagde hij ook niet meer over hoofdpijn. Uit het dossier blijkt ten slotte dat de GMD onderzoek heeft ingesteld ter beantwoording van de vraag of betrokkene met ingang van 9 oktober 1991 recht had op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze beoordeling is echter gestaakt nadat betrokkene herhaaldelijk niet op het spreekuur van de verzekeringsarts was verschenen.


1.3.

Op 17 februari 2005 heeft betrokkene een WAO-uitkering aangevraagd in verband met volgens hem door het auto-ongeval uit 1990 veroorzaakt hersenletsel, met geheugenstoornis, concentratiestoornis en karakterverandering tot gevolg. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van appellant betrokkene onderzocht. Op basis van dit onderzoek, van de huisarts van betrokkene verkregen informatie en de in 1.1 vermelde gegevens van neuroloog Van de Werd en psychiater Hennenberg heeft de verzekeringsarts op 27 juni 2005 geconcludeerd dat betrokkene per einde wachttijd (9 oktober 1991) en nadien geen dusdanige beperkingen had dat hij daarmee niet het eigen werk, of ander werk passend bij zijn opleiding en ervaring had kunnen verrichten.


1.4.

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft appellant geweigerd betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellant op dat moment geen beperkingen had ten gevolge van ziekte of gebrek en ook in het verleden geen sprake was van arbeidsongeschiktheid die onafgebroken 52 weken heeft geduurd. Het tegen dit besluit door betrokkene gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 27 oktober 2005 ongegrond verklaard.


1.5.

Bij uitspraak van 3 april 2006 heeft de rechtbank Haarlem het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 oktober 2005 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft betrokkene geen hoger beroep ingesteld, zodat het besluit van 28 juni 2005 in rechte onaantastbaar is geworden.


1.6.

Bij brief van 9 mei 2012 heeft betrokkene appellant verzocht van het besluit van

28 juni 2005 terug te komen. Volgens betrokkene is de datum van zijn ziekmelding ten gevolge van het auto-ongeval destijds ten onrechte niet vastgesteld op 8 juli 1990. Voorts heeft appellant informatie overgelegd van zijn huisarts van 29 november 2011 en een brief van 30 juni 2011 van psychotherapeut E. Groot en psychiater J. Selnick Marzulollo, die te kennen hebben gegeven dat bij betrokkene sprake is van een aanpassingsstoornis met angst en depressie, posttraumatische stress-stoornis en een persoonlijkheidsstoornis NAO. Betrokkene wijt zijn klachten aan het hem in 1990 overkomen auto-ongeluk.


1.7.

Bij besluit van 22 juni 2012 heeft appellant geweigerd terug te komen van het besluit van 28 juni 2005, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van 28 juni 2005 onjuist zou zijn.


1.8.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 22 juni 2012 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft op 9 januari 2013 een hoorzitting plaatsgevonden. Betrokkene heeft verklaard dat hij ten gevolge van het ongeval in 1990 nimmer meer duurzaam arbeid heeft verricht en dat hij destijds ten gevolge van de te late ziekmelding door zijn werkgever een WAO-uitkering is misgelopen. Uit het verslag van de hoorzitting komt naar voren dat betrokkene in de gelegenheid is gesteld informatie te verzamelen die betrekking heeft op de periode rond het ongeval in 1990, waarna betrokkene aantekeningen van neuroloog

Van de Werd heeft overgelegd, die betrekking hebben op de toestand van betrokkene in de periode van 8 juli 1990 tot en met 2 mei 1991.


1.9.

In zijn rapport van 12 februari 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van appellant te kennen gegeven dat betrokkene de gegevens van de neuroloog in eerdere periodes had kunnen inbrengen, omdat de gegevens bij deze arts beschikbaar waren. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat de nader ingekomen informatie van de neuroloog geen afbreuk doet aan de bevindingen van psychiater Hennenberg, zoals deze blijken uit zijn in 1.1 vermelde brief van 29 november 1991.


1.10.

Bij besluit van 21 februari 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar onder verwijzing naar de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ongegrond verklaard.


2.1.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarbij onder meer aangevoerd dat hij de na de hoorzitting in bezwaar alsnog verkregen informatie van neuroloog De Werd niet eerder had kunnen inbrengen, omdat hij eind 2005 bij de afdeling neurologie te horen had gekregen dat alle op hem betrekking hebbende gegevens over de periode 1990/1991 vernietigd waren. Deze zelfde mededeling werd in oktober 2012 gedaan aan zijn huisarts. Uiteindelijk bleek het op aandringen van de huisarts in januari 2013 toch mogelijk een aantal gegevens uit het archief te halen.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de aanwijzingen in de uitspraak. Volgens de rechtbank heeft appellant op onjuiste gronden toepassing gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Niet betwist is dat betrokkene in 2005 is meegedeeld dat de betreffende informatie vernietigd was. Nog in oktober 2012 werd ook de huisarts van betrokkene een zelfde mededeling gedaan. Pas na aandringen van de huisarts bleken aantekeningen van neuroloog De Werd toch nog aanwezig te zijn. Appellant had dan ook alsnog moeten bezien of de informatie van De Werd moet leiden tot een inhoudelijk ander besluit. Appellant zal voorts de in 1.5 genoemde informatie van psychotherapeut

E. Groot en psychiater J. Selnick Marzulollo van 30 juni 2011 in de beoordeling moeten betrekken.


3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de alsnog verkregen gegevens van neuroloog Van de Werd over de periode 1990/1991 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die niet eerder bekend hadden kunnen zijn. Deze gegevens waren al die tijd bij de afdeling neurologie beschikbaar en hadden ook, al dan niet op aandringen van de huisarts, al in 2005 kunnen worden overgelegd. Appellant heeft er voorts op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 12 februari 2013 ten overvloede heeft opgemerkt dat de informatie van neuroloog Van de Werd over de periode van 8 juli 1990 tot en met 2 mei 1991 de informatie van psychiater Hennenberg van 29 november 1991 niet doet wijzigen. Uit die laatste informatie blijkt dat betrokkene toen niet meer arbeidsongeschikt was. Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat de primaire verzekeringsarts de informatie van psychotherapeut E. Groot en psychiater J. Selnick Marzulollo van 30 juni 2001 wel degelijk in haar rapport van 27 juni 2005 heeft beoordeeld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Bij brief van 22 januari 2014 heeft betrokkene bij de Raad onder meer informatie ingewonnen over de mogelijkheid tot het instellen van een (voorwaardelijk) incidenteel appèl. Bij brief van 23 juni 2014 heeft de Raad betrokkene meegedeeld dat de brief van

22 januari 2014 kan worden aangemerkt als een voorlopig (voorwaardelijk) incidenteel appèl. Voorts heeft de Raad betrokkene te kennen gegeven dat hij, als hij het (voorwaardelijk) incidenteel appèl wenst voort te zetten, binnen vier weken de desbetreffende gronden dient in te dienen. Bij brief van 8 juli 2014 heeft betrokkene de Raad meegedeeld het voorwaardelijk incidenteel appèl voort te willen zetten en daartoe gronden aangevoerd. Ter zitting van de Raad heeft betrokkene het voorwaardelijk incidenteel appèl ingetrokken, nadat hem was voorgehouden dat zijn gronden louter een nader verweer inhielden tegen het door appellant ingestelde hoger beroep, zodat hij door intrekking van het voorwaardelijk incidenteel appèl niet in zijn procesbelangen zou worden geschaad.


4.2.

De rechtbank heeft de door betrokkene na de hoorzitting in bezwaar overgelegde, op de periode van 8 juli 1990 tot en met 2 mei 1991 betrekking hebbende, aantekeningen van neuroloog Van de Werd terecht als een nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb aangemerkt. De door de rechtbank voor dit oordeel gegeven motivering wordt onderschreven. Appellant heeft de aanvraag van betrokkene van 9 mei 2012 ten onrechte met toepassing van het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

4.3.

Ter zitting van de Raad is met partijen besproken welke betekenis moet worden gehecht aan het feit dat appellant, zij het ten overvloede, in hoger beroep, evenals in het door appellant bij de rechtbank ingezonden rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

12 februari 2013, ook een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen met betrekking tot nieuwe informatie van neuroloog Van de Werd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting verklaard dat ingeval het oordeel van de Raad zou luiden dat appellant ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, alsnog een uitgebreid verzekerings- en arbeidskundig onderzoek zal moeten plaatsvinden. Een loutere verwijzing naar de brief van psychiater Hennenberg van 22 november 1991 is niet voldoende.


4.4.

De Raad ziet in deze verklaring van de gemachtigde van appellant aanleiding de aangevallen uitspraak te bevestigen. Dit heeft tot gevolg dat appellant een nieuw besluit zal dienen te nemen met inachtneming van de aanwijzingen van de rechtbank en de Raad. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.


4.5.

Er is aanleiding appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 45,20 (reiskosten openbaar vervoer 2e klas

Heemskerk-Utrecht).


4.6.

De Raad zal bepalen dat van appellant een griffierecht van € 478,- zal worden geheven.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;
  • - veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 45,20;
  • - bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) E. Heemsbergen





QH