Centrale Raad van Beroep, 28-10-2015 / 13/5804 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:3891

Inhoudsindicatie
CIZ heeft terecht de indicatie voor BI afgewezen omdat voor de beperkingen van appellante een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 2 van het Bza. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat behandeling zoals geadviseerd door de CIZ-arts niet voldoende zou zijn als gevolg waarvan naast behandeling aanvullend begeleiding vanuit de AWBZ zou moeten worden verleend. Geen bijzondere situatie die aanleiding kan zijn voor een indicatie voor AWBZ-zorg naast een voorliggende voorziening op grond van de Zvw.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-28
Publicatiedatum
2015-11-10
Zaaknummer
13/5804 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5804 AWBZ

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

23 september 2013, 12/2615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ



PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft S. Slavica hoger beroep ingesteld.


CIZ heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken overgelegd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Voor appellante is

R. Duric verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren op 12 april 1958, is (onder meer) bekend met psychische klachten en COPD (stadium GOLD II). Zij heeft op 7 december 2011 bij CIZ een indicatie aangevraagd voor de functies Persoonlijke Verzorging (PV) en Begeleiding Individueel (BI) op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).


1.2.

Bij besluit van 9 januari 2012 heeft CIZ de aanvraag van appellante afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 23 juli 2012 (bestreden besluit 1) heeft CIZ, onder verwijzing naar een medisch advies van CIZ-arts K. Wiericx van 29 juni 2012, het tegen het besluit van

9 januari 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


1.4.

Bij besluit van 6 december 2012 (bestreden besluit 2) heeft CIZ het bestreden besluit 1 herzien en het bezwaar, onder verwijzing naar een medisch advies van Wiericx van

6 december 2012, alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard. CIZ heeft hierbij aan appellante voor de periode van 9 januari 2012 tot 5 juni 2013 een indicatie verleend voor de functie PV, klasse 2. Verder heeft CIZ bepaald dat behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend is op AWBZ-zorg en dat er op dat moment geen sprake is van samenloop van de Zvw en AWBZ. Hierdoor heeft appellante geen aanspraak op de functie BI.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante bij een beoordeling van dat besluit geen belang meer heeft. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat CIZ de besluitvorming heeft mogen baseren op de uitgebrachte adviezen van de medisch adviseurs waaruit onmiskenbaar volgt dat appellante somatische en psychiatrische problemen heeft en aangewezen is op adequate intensieve behandeling waarvan meer AWBZ-zorg (nog) geen onderdeel uitmaakt. Zorg vanuit de Zvw moet voor appellante als voorliggend op AWBZ-zorg worden aangemerkt. In de door appellante overgelegde stukken heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen.


3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Onder verwijzing naar verschillende stukken van psychiater L. Meertens, SPV-er S.E. Koppers en huisarts

P.J. Weisscher, voert appellante aan dat zij behandeling en medicatie krijgt, dat zij de door CIZ noodzakelijk geachte behandeling (opname) niet wenst en dat zij zorg in de vorm van begeleiding in de thuissituatie nodig heeft.


3.2.

CIZ kan zich geheel vinden in de aangevallen uitspraak en heeft verwezen naar aanvullende medische adviezen van medisch adviseur L. Cornelissen-Houben van

3 december 2013 en 5 december 2014.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza), voor zover van belang, heeft de verzekerde, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of zorgverzekering als bedoeld in de Zvw, aanspraak op begeleiding als omschreven in artikel 6.


4.2.

De vraag die voorligt is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat CIZ de indicatie voor BI kon afwijzen op de grond dat voor de beperkingen van appellante een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 2 van het Bza.


4.3.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden van beroep van appellante afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt hieraan toe dat uit de in hoger beroep uitgebrachte medische adviezen van medisch adviseur Cornelissen-Houben volgt dat appellante aangewezen blijft op intensieve psychiatrische behandeling en dat de door de behandelaars omschreven begeleiding in de thuissituatie (observatie, activatie, verhogen dagactiviteiten en bewaking van medicatie) is aan te merken als een onlosmakelijk onderdeel van deze behandeling die geleverd wordt vanuit de Zvw of als een voorwaarde om tot een adequate behandeling te komen. Medische bezwaren voor de inzet van intensieve therapie, waarvan PIT-zorg, dag- of deeltijdbehandeling of klinische behandeling onderdeel kan uitmaken, zijn niet aanwezig.


4.4.

Ten slotte heeft de Raad op grond van de stukken, waaronder de medische adviezen, en het verhandelde ter zitting, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat behandeling zoals geadviseerd door de CIZ-arts niet voldoende zou zijn als gevolg waarvan naast behandeling aanvullend begeleiding vanuit de AWBZ zou moeten worden verleend. Evenmin is gebleken van een bijzondere situatie die aanleiding kan zijn voor een indicatie voor AWBZ-zorg naast een voorliggende voorziening op grond van de Zvw (zie de uitspraak van de Raad van 23 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2657).


4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) W. de Braal



NK