Centrale Raad van Beroep, 17-02-2015 / 13-2923 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:412

Inhoudsindicatie
Herhaalde aanvraag bijzondere bijstand. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-17
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
13-2923 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2923 WWB

Datum uitspraak: 17 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 mei 2013, 12/6272 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 16 december 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

In verband met zijn verhuizing van de [adres 1] naar de [adres 2] heeft appellant op 28 maart 2012 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van woninginrichting en de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Bij besluit van 8 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

13 juni 2012, heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat de verhuizing van appellant niet medisch- of sociaal noodzakelijk en niet onvoorzienbaar was. Derhalve is geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Op 20 juli 2012 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend voor de onder 1.1 genoemde kosten. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat zijn verhuizing naar de [adres 2] een gedwongen verhuizing was omdat sprake was van een bedreiging op zijn oude adres. Appellant heeft deze aanvraag vergezeld doen gaan van een proces-verbaal van aangifte van een bedreiging op 29 oktober 2010.


1.3.

Bij besluit van 29 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag afgewezen, op de grond dat de situatie en omstandigheden van appellant sinds de aanvraag van 28 maart 2012 niet zijn gewijzigd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat de aanvraag van appellant van 20 juli 2012 evenals de aanvraag van 28 maart 2012 ziet op inrichtingskosten en kosten voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen in verband met zijn verhuizing naar het adres [adres 2]. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn betoog dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag. Voorts heeft appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd als bedoeld onder 4.1. Hiertoe kan niet dienen het bij zijn aanvraag van 20 juli 2012 overgelegde voorblad van een aangifte van bedreiging van

29 oktober 2010. Uit de gedingstukken blijkt dat het college bij beoordeling van de aanvraag van appellant van 28 maart 2012 van deze bedreiging op de hoogte was en hierin geen aanleiding heeft gezien te concluderen dat sprake was van een noodzakelijke en onvoorziene verhuizing. Appellant kan evenmin gevolgd worden in zijn betoog dat een gewijzigde omstandigheid gelegen is in het feit dat hij al jaren bijstand ontvangt en om die reden niet in staat is tot enige reservering voor dure uitgaven. Van deze omstandigheid was immers ook al sprake bij zijn eerdere aanvraag.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) O.P.L. Hovens



HD