Centrale Raad van Beroep, 15-01-2015 / 12-5326 MPW


ECLI:NL:CRVB:2015:42

Inhoudsindicatie
Vaststelling invaliditeitspensioen op basis van het toegekende percentage. De door de verzekeringsarts op pagina 10 van zijn rapportage opgenomen toelichting op de gekozen klassen is op zichzelf beschouwd weliswaar summier te achten, maar in de overige onderdelen van de rapportage komt de medische toestand van appellant voldoende uitgebreid over het voetlicht. In zijn totaliteit kan de rapportage, waarbij uitgebreide informatie uit de behandelende sector is gevoegd, de gemaakte keuzes dragen. Dat appellant, zoals hij in bezwaar naar voren heeft gebracht, aan de hand van een eigen invulling van de beoordelingslijst tot een hoger invaliditeitspercentage is gekomen, kan dat niet anders maken. Het bepalen van de mate van invaliditeit aan de hand van de beoordelingslijst vergt, zoals daarbij uitdrukkelijk is vermeld, medische deskundigheid. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die reden geven de door de verzekeringsarts gemaakte inschatting van zijn invaliditeit in twijfel te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-16
Zaaknummer
12-5326 MPW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5326 MPW, 12/6627 MPW

Datum uitspraak: 15 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

22 augustus 2012, 11/9734 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Op 4 december 2012 heeft de minister een nader besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Meijden en zijn echtgenote, [naam echtgenote]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als beroepsmilitair voor onbepaalde tijd. Van augustus 1994 tot februari 1995 is hij uitgezonden geweest naar voormalig Joegoslavië. In oktober 1999 heeft appellant de krijgsmacht verlaten. Op 27 januari 2009 heeft appellant een militair invaliditeitspensioen aangevraagd vanwege een bij hem geconstateerde post-traumatische stressstoornis (PTSS). Op 19 februari 2009 heeft een geneeskundig onderzoek plaatsgevonden, met als uitkomst een bevestiging van de diagnose PTSS. Een verergerend dienstverband is aannemelijk geacht, waarbij het invaliditeitspercentage is bepaald op 15. Bij besluit van 18 juni 2009 is appellant een invaliditeitspensioen op basis van dit percentage toegekend. Ingangsdatum is 28 januari 2008.


1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 18 juni 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

23 november 2011 (bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 18 juni 2009 herroepen, bepaald dat appellant met ingang van 28 januari 2008 aanspraak heeft op een pensioen berekend naar een mate van invaliditeit van 17,9% en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de aan het besluit van 18 juni 2009 ten grondslag gelegde invaliditeitsvaststelling stand kan houden, maar dat ten onrechte afronding naar beneden op een veelvoud van 5% van het berekende invaliditeitspercentage van 17,9 heeft plaatsgevonden.


2.1.

Op 4 december 2012 heeft de minister een nader besluit genomen, inhoudende een herberekening met ingang van 28 januari 2008 van het pensioen van appellant naar een mate van invaliditeit van 20%, dit omdat de minister gelet op historische ontwikkelingen alsnog een rekenkundige - opwaartse dan wel neerwaartse - afronding voorstaat op veelvouden van 5%, hetgeen in het geval van het voor appellant geldende percentage van 17,9 neerkomt op een afronding naar boven tot het genoemde percentage van 20.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Motivering van de scores


3.1.

Op 1 juli 2008 is in werking getreden de ministeriële regeling van 27 juni 2008

(Stcrt. 2009, 11661, Regeling). Op grond van artikel 1 van de Regeling wordt bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband, ter nadere invulling van de War Pensions Committee-schaal (WPC-schaal), voor zover hier van belang, gehanteerd het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS Protocol), bij de Regeling gevoegd als bijlage 2.


3.2.

Appellant is van mening dat de scores die zijn toegekend aan de hand van de tot het PTSS Protocol behorende Beoordelingslijst vastleggen psychische beperkingen, niet deugdelijk zijn gemotiveerd. In dat verband moet het volgende voorop worden gesteld. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de keuzes voor de respectievelijke klassen stuk voor stuk hadden moeten worden gemotiveerd aan de hand van een uitgeschreven vergelijking van de gekozen klasse met de naasthogere en de naastlagere klasse. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3830. Uit die uitspraak komt naar voren dat een zo ver gaande motiveringsplicht als door appellant bepleit niet als algemene regel kan worden aanvaard. In de regel zullen de gemaakte keuzes voldoende verklaard kunnen worden door de onderliggende medische rapportage, waarbij geldt dat in geval van gerichte bestrijding van bepaalde keuzes in bezwaar, een nadere toelichting op die keuzes op zijn plaats kan zijn. In (hoger) beroep zal de bestuursrechter beoordelen of de toegekende scores, alle medische gegevens in aanmerking genomen, deugdelijk, consistent en inzichtelijk zijn onderbouwd.


3.3.

Deze rechterlijke beoordeling leidt in dit geval niet tot de conclusie dat de onderbouwing van de scores tekortschiet. De door de verzekeringsarts op pagina 10 van zijn rapportage opgenomen toelichting op de gekozen klassen is op zichzelf beschouwd weliswaar summier te achten, maar in de overige onderdelen van de rapportage komt de medische toestand van appellant voldoende uitgebreid over het voetlicht. In zijn totaliteit kan de rapportage, waarbij uitgebreide informatie uit de behandelende sector is gevoegd, de gemaakte keuzes dragen. Dat appellant, zoals hij in bezwaar naar voren heeft gebracht, aan de hand van een eigen invulling van de beoordelingslijst tot een hoger invaliditeitspercentage is gekomen, kan dat niet anders maken. Het bepalen van de mate van invaliditeit aan de hand van de beoordelingslijst vergt, zoals daarbij uitdrukkelijk is vermeld, medische deskundigheid. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die reden geven de door de verzekeringsarts gemaakte inschatting van zijn invaliditeit in twijfel te trekken. In zoverre slaagt het hoger beroep dus niet.


Seksuele functie


3.4.

In de subrubriek seksuele functie kan ingevolge het PTSS Protocol alleen worden gescoord indien duidelijk uit eerdere verslaglegging blijkt dat voor dit probleem (verlies aan functioneren op seksueel gebied) specifieke behandeling/hulp is gezocht bij een professioneel deskundige. In de onder 3.2 genoemde uitspraak van de Raad van 13 november 2013 is overwogen dat dit vereiste de in ons staatsbestel passende terughoudende toetsing kan doorstaan, waartoe de rechter zich dient te beperken in geval een wet in materiële zin als zodanig ter discussie wordt gesteld. Voor zover appellant het bewuste vereiste als zodanig heeft willen bestrijden, slaagt het hoger beroep dus niet.

3.5.

Partijen verschillen er niet over van mening dat binnen de behandeling van appellant het seksueel-functieverlies niet als een afzonderlijk probleem is gesignaleerd. Daarmee wordt - in aanmerking genomen de daaraan blijkens de meergenoemde uitspraak door de minister gegeven uitleg - niet voldaan aan het onder 3.4 bedoelde vereiste. In de subrubriek seksuele functie kan volgens het PTSS Protocol dus niet worden gescoord. Dat betekent dat appellant met de in deze subrubriek toegekende score van 2, die blijkens informatie van de minister abusievelijk tot stand is gekomen, niet tekort is gedaan. Anders dan appellant meent, blijkt uit het door hem overgelegde BIR-advies 14 (Beleids Incident Richtlijnen en Adviezen) niet dat het hier aan de orde zijnde vereiste ten tijde van het in zijn geval verrichte geneeskundig onderzoek nog niet werd toegepast. De in het advies opgenomen toelichting op de totstandkoming van BIR-advies 4 geeft juist blijk van het tegendeel. BIR-advies 14 zelf strekt tot een nadere invulling van het begrip professioneel deskundige, inhoudend dat dit begrip niet behoeft te worden beperkt tot de seksuoloog. Dit is conform de door de minister aan het vereiste gegeven uitleg zoals weergegeven in de uitspraak van 13 november 2014. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep niet.


3.6.

Het overwogene onder 3.1 tot en met 3.5 betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


Het besluit van 4 december 2012


3.7.

Het besluit van 4 december 2012, dat in de beoordeling wordt betrokken, verschilt op het punt van de invaliditeitsvaststelling niet van het bestreden besluit en kan, voor zover door appellant bestreden, dus eveneens stand houden. De Raad zal het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaren.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 december 2012 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD