Centrale Raad van Beroep, 01-12-2015 / 14-1803 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4276

Inhoudsindicatie
Mede-terugvordering bijstand. Verzwegen gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-01
Publicatiedatum
2015-12-07
Zaaknummer
14-1803 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1803 WWB

Datum uitspraak: 1 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 februari 2014, 13/4311 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.S.J. van Gestel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/1835 WWB, plaatsgevonden op

20 oktober 2015. Voor appellant is mr. F. El Makhtari, kantoorgenoot van mr. Van Gestel, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lagrand. In de zaak 14/1835 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft met [G.] (G) twee kinderen. G ontving sinds 1 juli 1983, met onderbrekingen, bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). G woonde ten tijde in geding op het [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant staat sinds 1 februari 1996 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans; basisregistratie personen, op het [adres 2] te [woonplaats].


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat G al zestien jaar samenwoont met appellant op het uitkeringsadres heeft de Unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam (sociale recherche) een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan G verleende bijstand. De sociale recherche heeft onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse bronnen geraadpleegd, bankafschriften bestudeerd, waarnemingen gedaan bij het uitkeringsadres, buurtonderzoek verricht bij het uitkeringsadres en het adres, en appellant en G verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 7 maart 2013.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

31 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2013, de bijstand van G met ingang van 3 augustus 1998 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van

3 augustus 1998 tot en met 31 december 2012 tot een bedrag van in totaal € 211.011,58 van G terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat G, zonder daarvan melding te maken aan het college, vanaf 3 augustus 1998 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant op het uitkeringsadres.


1.4.

Bij besluit van 31 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college de ten behoeve van G gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 augustus 1998 tot en met 31 december 2012 als onder 1.3 genoemd mede teruggevorderd van appellant.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 3 augustus 1998 tot en met 31 januari 2013.


4.2.

Van 4 juni 2012 tot 7 juni 2012 heeft de sociale recherche met een camera, gericht op de voordeur van het uitkeringsadres, statische waarnemingen verricht. Anders dan appellant heeft aangevoerd is aldus geen ongeoorloofde inbreuk op de privacy van appellant gemaakt. Gelet op de zeer gedetailleerde, in 1.2 bedoelde, melding bestond er alle aanleiding voor het instellen van een onderzoek. De daarmee gepaard gaande inbreuk op de privacy is niet onevenredig ten opzichte van het met het onderzoek nagestreefde doel om de rechtmatigheid van de aan G verleende bijstand te onderzoeken. Dit doel kon, mede gelet op de wisselende werktijden van appellant, ook niet op een minder ingrijpende wijze worden bereikt. De statische waarnemingen vonden bovendien plaats vanaf de openbare weg, waren van relatief korte duur en waren alleen gericht op de voordeur van het uitkeringsadres.


4.3.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met G een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB heeft gevoerd.


4.4.

Niet in geschil is dat appellant en G samen twee kinderen hebben, [X.] (1996) en [Y.] (2002), zodat voor de beantwoording van de vraag of gedurende de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend is of appellant en G hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.5.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, bieden de gedingstukken een toereikende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant en G in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Van essentieel belang in dat verband zijn de verklaringen die G op 18 december 2012 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Zo heeft G verklaard dat zij en appellant ongeveer 14 of 15 jaar samen wonen, hij zijn hoofdverblijf bij haar thuis heeft en zijn administratie en (werk)kleding bij haar heeft. Verder hebben buurtbewoners uit de buurt van het uitkeringsadres verklaard dat op het uitkeringsadres appellant en G, die zij hebben herkend van de aan hun getoonde foto’s, en hun twee kinderen wonen. Zo verklaart [A.], [adres 3]: “Ik woon sinds 1996 op dit adres. U vraagt naar de buren van 4B. Er wonen een man, een vrouw en twee kinderen. (…) Ze wonen er zeker tien jaar. (…) Ik zie de buren van 4B geregeld. Mijn buurman van 4B zie ik uit zijn werk thuiskomen. Ik sta vaak voor het raam te kijken en ik zie de buren, zowel de man, de vrouw en de kinderen dagelijks in en uit de woning gaan. (…) U vraagt mij of de samenstelling van het gezin de afgelopen tien jaar anders is geweest. Nee, voor zover ik weet wonen daar al tien jaar een man, een vrouw en twee kinderen. Volgens mij waren er in het begin toen de buren van 4B hier kwamen wonen nog twee oudere kinderen. Die zijn later het huis uit gegaan.” Buurtbewoner [B.] verklaart: “Ik woon vanaf eind 1993 op het [adres 4]. U vraagt naar het [adres 1]. Daar woont een gezin, een man, een vrouw en twee kinderen. Ik zeg de buren van 4B gewoon gedag. Volgens mij wonen de buren van 4B er ongeveer 12 à 13 jaar. De man en de vrouw van 4B zijn hier komen wonen en toen is later een dochtertje geboren toen zij hier al woonden. De man, vrouw en de kinderen die hebben hier altijd in deze samenstelling gewoond. (…) Ik zie de buren, zowel de buurman, de buurvrouw en de kinderen geregeld en dan zeggen we elkaar gedag.” Een bewoner uit de buurt van het adres heeft bovendien verklaard dat zij appellant eenmaal per maand ziet om de post op te halen. Van belang is daarbij dat in de verklaringen van G geen aanknopingspunten voorhanden zijn waaruit moet worden afgeleid dat vanaf 3 augustus 1998 zich een relevante wijziging heeft voorgedaan met betrekking tot het hoofdverblijf van appellant, terwijl ook de verklaringen van de buurtbewoners daartoe geen aanleiding geven, nu de buurtbewoners hebben verklaard dat de gezinssamenstelling van appellant, G en de twee kinderen nooit is gewijzigd.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellant met G ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat G daarvan in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt aan het college.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB met wiens middelen bij de verlening van de bijstand aan G over de in geding zijnde periode rekening moest worden gehouden. Het college was daarom bevoegd de over de periode van 3 augustus 1998 tot en met 31 december 2012 ten onrechte ten behoeve van G gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Daarbij heeft het college overeenkomstig zijn beleid gehandeld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen, als bedoeld in het beleid van het college, voordoen die tot het geheel of gedeeltelijk afzien van medeterugvordering zouden kunnen leiden.


4.8.

Uit 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C. Moustaïne



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over begrip gezamenlijke huishouding.



HD