Centrale Raad van Beroep, 03-12-2015 / 14/4104 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:4341

Inhoudsindicatie
Eervol ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. De gedingstukken bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellant ongeschikt was zijn eigen arbeid te verrichten. De minister heeft zich, gelet op de beperkingen van appellant en de verrichte re-integratie-inspanningen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van appellant niet binnen een redelijke termijn te verwachten was.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-03
Publicatiedatum
2015-12-08
Zaaknummer
14/4104 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/4104 AW

Datum uitspraak: 3 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

13 juni 2014, 14/1108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Laatsman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Laatsman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J.B. van den Elsaker, F. Pinxteren en W.A.J. Gevers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 15 september 1994 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Veiligheid en Justitie in de functie van [naam functie 1] ([functie]). Naar aanleiding van een herbeoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) waarbij appellant in januari 2005 voor 45-55% arbeidsongeschikt is bevonden, is het dienstverband van appellant aangepast van 36 naar 18 uur per week. Appellant heeft zich op 13 december 2007 ziek gemeld met psychische klachten. Zijn WAO-uitkering is met ingang van 10 januari 2008 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.


1.2.

Bij brief van 30 maart 2009 heeft de minister appellant op de hoogte gesteld van zijn voornemen hem met ingang van 13 december 2009 ontslag te verlenen op grond van

artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) vanwege ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Aan dit voornemen is geen uitvoering gegeven omdat adviserend verzekeringsarts J in zijn rapport van mei 2009 tot de conclusie kwam dat redelijkerwijs was te verwachten dat appellant binnen zes maanden na de voorgenomen ontslagdatum volledig geschikt zou zijn voor zijn functie.


1.3.

Vanaf 29 maart 2011 heeft appellant zeven dagdelen van viereneenhalf uur gewerkt als medewerker arbeid. Met ingang van 3 mei 2011 heeft appellant werkzaamheden verricht in het magazijn van de [functie], aanvankelijk gedurende twee dagdelen van viereneenhalf uur per week en vanaf 6 september 2011 gedurende drie dagdelen van viereneenhalf uur per week. De eerste helft van 2012 heeft appellant stage gelopen binnen het [naam afdeling].


1.4.

Op 7 februari 2013 heeft bedrijfsarts R een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van appellant opgemaakt. Daarin komt naar voren dat appellant beperkingen heeft op het gebied van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en op het gebied van de werktijden. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige J uitgaande van die beperkingen re-integratieonderzoek gedaan. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 12 mei 2013. De conclusie van het onderzoek is dat appellant arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk van medewerker arbeid, dat die eigen werkzaamheden niet passend zijn te maken door voorzieningen en/of aanpassingen in de organisatie en dat appellant niet meer in staat geacht wordt tot het verrichten van structureel loonvormende arbeid. Vervolgens heeft de minister in verband met zijn voornemen om appellant met ingang van 1 december 2013 wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte te ontslaan aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een deskundigenoordeel gevraagd. In dat kader hebben verzekeringsarts B en arbeidsdeskundige H onderzoek gedaan. Het Uwv heeft op 25 september 2013 geoordeeld dat appellant op de voorgenomen ontslagdatum van

1 december 2013 twee jaar lang door ziekte of gebrek ongeschikt is geweest voor het verrichten van zijn functie en dat herstel niet binnen zes maanden is te verwachten.


1.5.

Bij besluit van 10 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 februari 2014 (bestreden besluit), heeft de minister appellant met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR eervol ontslag verleend met ingang van 1 december 2013 op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.


3.1.

Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het derde lid van artikel 98 van het ARAR bepaalt dat dit ontslag alleen kan plaatsvinden indien (a) er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar, (b) herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en (c) het bevoegd gezag van oordeel is dat duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is.


3.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat niet voldaan is aan de in artikel 98, derde lid, onder a, van het ARAR genoemde voorwaarde. Hij heeft in april 2011 voor een korte duur succesvol gere-integreerd in zijn eigen werk, maar is door de werkgever na een maand ineens in het magazijn geplaatst. Hij heeft niet de kans gekregen de volle achttien uur te maken in zijn eigen werk, terwijl het prima met hem ging. Dat de werkgever hem niet de mogelijkheid heeft geboden zijn eigen arbeid in volle omvang te verrichten komt volgens appellant voor rekening van de werkgever.


3.2.2.

Deze beroepsgrond treft geen doel. De gedingstukken bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellant in de periode van 1 december 2011 tot 1 december 2013 ongeschikt was zijn eigen arbeid te verrichten. De Raad hecht met name betekenis aan de rapportage van arbeidsdeskundige J van 12 mei 2013 bezien in samenhang met de FML van 7 februari 2013. Daarin komt naar voren dat de belastbaarheid van appellant en de belasting die de functie van medewerker arbeid meebrengt, niet met elkaar in overeenstemming zijn. Het werk als medewerker arbeid is onvoorspelbaar en eist van de medewerker dat hij continu alert is, snel kan beslissen, actief en doortastend optreedt, stressbestendig is en dat hij met conflictsituaties en met mensen die bedreigend zijn kan omgaan. Aan die eisen kan appellant op grond van zijn beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren niet voldoen. De omstandigheid dat appellant in april 2011 gedurende zeven dagdelen in de eigen arbeid heeft gewerkt betekent niet dat hij in staat was dat werk voor de volle achttien uur per week te verrichten.


3.3.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat niet is voldaan aan de in artikel 98, derde lid, onder c, van het ARAR genoemde voorwaarde. Hij betoogt dat de minister zich onvoldoende heeft ingespannen voor zijn re-integratie. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat hij onvoldoende mogelijkheden heeft gekregen om een passende functie in de administratie uit te oefenen of de passende functie als [naam functie 2] te behouden.


3.3.2.

Uit de gedingstukken, met name de rapportage van arbeidsdeskundige J van 12 mei 2013 bezien in samenhang met de FML van 7 februari 2013, blijkt dat appellant door de combinatie van forse beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren beschikt over beperkte arbeidsvermogens. Zo is appellant aangewezen op een stabiele en voorspelbare werkomgeving, waarbij geen sprake is van wisselende uitvoeringsomstandigheden, en moet hij kunnen werken in de luwte en in werk waarbij geen sprake is van werkdruk. Verder heeft hij moeite om te gaan met nieuwe situaties, heeft hij een lage stressbestendigheid en onvoldoende copingstrategieën om met onverwachte en stressvolle situaties adequaat om te gaan. Als hij in dergelijke situaties terechtkomt is de kans op toename van klachten en vermindering van belastbaarheid reëel aanwezig. Volgens arbeidsdeskundige J kan appellant daarom op arbeidskundige gronden niet in staat worden geacht tot het verrichten van structureel loonvormende arbeid.


3.3.3.

Uit de gedingstukken blijkt voorts dat er door de werkgever pogingen zijn ondernomen om appellant te herplaatsen in administratieve arbeid. Zo zijn de mogelijkheden onderzocht om appellant binnen het magazijn voor administratieve taken in te zetten. Door de beperkte inzetbaarheid van appellant en een ophanden zijnde reorganisatie binnen Facilitaire zaken is dat niet gelukt. Ook de stage bij het [naam afdeling] heeft er niet toe geleid dat appellant aldaar in een administratieve functie werd benoemd. Van de minister kon voorts niet worden gevergd appellant nog langer werkzaamheden in het magazijn te laten verrichten. Appellant verrichtte daar aangepaste werkzaamheden in een bovenformatieve functie, welke functie hij nooit volledig heeft uitgeoefend. Bovendien heeft appellant op 7 februari 2013 aan de bedrijfsarts te kennen gegeven dat hij de werkomgeving in het magazijn als een omgeving met sterke prikkels ervaart en dat hij daardoor in toenemende mate gezondheidsklachten ervaart. Uit de gedingstukken blijkt niet dat binnen de DJI naar andere herplaatsingsmogelijkheden voor appellant is gezocht. De minister heeft in dit verband gesteld dat er als gevolg van lopende reorganisaties bij de DJI onvoldoende

re-integratieruimte bestaat en dat er voor appellant simpelweg geen passende vacatures waren. In aanmerking genomen dat ook appellant, afgezien van de functie van [naam functie 2], geen functie heeft kunnen noemen waarop hij had kunnen worden geplaatst, ziet de Raad geen aanleiding dat in twijfel te trekken.


3.3.4.

Op grond van wat in 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen heeft de minister zich, gelet op de beperkingen van appellant en de verrichte re-integratie-inspanningen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van appellant niet binnen een redelijke termijn te verwachten was. De in 3.3.1 omschreven beroepsgrond slaagt dan ook niet.


3.4.

De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) S.W. Munneke



HD