Centrale Raad van Beroep, 03-12-2015 / 15/3492 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:4344

Inhoudsindicatie
Toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [naam functie B] in het vakgebied [naam vakgebied], met bijbehorende schaal. Zoals de Raad in de uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663) tot uitdrukking heeft gebracht kan de transponeringstabel niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Dit neemt niet weg dat aan deze tabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht. De korpschef mag bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan uitgaan dat de toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel. Niet in geschil is dat de matching in het geval van appellante overeenkomstig de Regeling en de transponeringstabel is geschied. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Beroep op gelijkheidsbeginsel en hardheidsclausule faalt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-03
Publicatiedatum
2015-12-08
Zaaknummer
15/3492 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/3492 AW

Datum uitspraak: 3 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2015, 14/3616 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft M. Bekker hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.E. Bensoussan, mr. F.A.M. Bot en R.M.M. Paulssen.

OVERWEGINGEN


1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.


1.2.

Appellante was werkzaam als [naam functie A] (schaal 4) op het bureau [naam bureau] van de voormalige politieregio Utrecht (thans eenheid Midden-Nederland).


1.3.

Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellante voor haar toekomstige LFNP-functie bepaald op [naam functie A], salarisschaal 4. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.


1.4.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellante besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [naam functie B] in het vakgebied [naam vakgebied], met bijbehorende schaal 4. Bij besluit van 2 mei 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan haar oordeel, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.


2.2.

De transponeringstabel, opgenomen in een bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) is een algemeen verbindend voorschrift. Verwezen wordt in dat verband naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 december 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:6637). In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Nu geen sprake is van ernstige feilen die kleven aan de inhoud of de totstandkoming van de transponeringstabel, kan deze als grondslag dienen voor het daarop gebaseerde bestreden besluit.


2.3.

De omstandigheid dat de matching bij appellante heeft geleid tot een LFNP-functie die inhoudelijk afwijkt van haar korpsfunctie leidt niet tot het oordeel dat de korpschef daarom artikel 3, vierde lid, van de Regeling en de transponeringstabel buiten toepassing had moeten laten. Dit is een voorzienbare consequentie en kennelijk door de partijen betrokken bij het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken aanvaard.


2.4.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd is voorts geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat de korpschef de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling had moeten toepassen.


2.5.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat geen sprake is van gelijke gevallen.


3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.


3.1.

Zoals de Raad in de onder 1.1 aangehaalde uitspraken van 1 juni 2015 tot uitdrukking heeft gebracht kan de transponeringstabel, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Dit neemt niet weg dat aan deze tabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht. De korpschef mag bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan uitgaan dat de toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel. Niet in geschil is dat de matching in het geval van appellante overeenkomstig de Regeling en de transponeringstabel is geschied. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst van de matching ook verdedigbaar zou zijn geweest is hiervoor niet voldoende.


3.2.

Het betoog van appellante dat haar beroep op de hardheidsclausule ten onrechte is verworpen slaagt niet. Dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie is inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht en is ook verklaarbaar uit het gegeven dat de werkzaamheden binnen verschillende politieregio’s worden ondergebracht in één nieuw landelijk functiegebouw. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, de toegekende LFNP-functie een verschraling meebrengt van haar taken en verantwoordelijkheden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Raad in zijn meergenoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft overwogen, is inherent aan de door de regelgever bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan dan ook niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling. De mogelijkheid van verschillen tussen de korpsfunctie en de LFNP-functie is door de regelgever uitdrukkelijk onder ogen gezien. Dergelijke verschillen zijn uitdrukkelijk beoogd vanuit de - meer op abstracte functiebeschrijving gerichte - systematiek van het LFNP. Het nieuwe functiegebouw strekt nu eenmaal tot uniformering en harmonisering, waaraan inherent is dat niet voor iedereen de situatie bij het oude kan blijven.


3.3.

Appellante heeft in dit verband nog aangevoerd dat uit de Regeling noch uit het Besluit bezoldiging Politie (Bbp) volgt dat bij de overgang naar het LFNP feitelijk niets wijzigt aan de haar opgedragen werkzaamheden, zoals de rechtbank heeft overwogen. Dit betekent volgens appellante dat zij met de overgang naar de LNFP-functie de werkzaamheden zoals beschreven voor de functie [naam functie B] zou moeten uitvoeren, die substantieel anders zijn dan haar oude werkzaamheden. Hierdoor is volgens appellante ook haar BOA-akte in geding, omdat die akte voor haar LFNP-functie niet meer vereist is. Bovendien is het op dit moment onduidelijk welke gevolgen de overgang naar de

LFNP-functie heeft in het kader van de komende reorganisatie. Volgens appellante rechtvaardigt deze onzekere situatie in haar geval toepassing van de hardheidsclausule. Dit betoog slaagt evenmin. In de Toelichting bij artikel 2 van de Regeling is immers expliciet opgenomen dat is afgesproken dat bij de overgang naar het LFNP feitelijk niets wijzigt aan de opgedragen werkzaamheden tot het moment waarop de ambtenaar in het kader van de vorming van de nationale politie wordt geplaatst of wordt aangewezen als herplaatsingskandidaat. Met het primaire besluit heeft de korpschef dit ook uitdrukkelijk aan appellante toegezegd. Er is dan ook geen aanleiding om iets anders aan te nemen. De positie van appellante in de op handen zijnde reorganisatie staat verder los van de thans bestreden besluitvorming en kan daarom bij de beoordeling of toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule geen rol spelen.


3.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie die noopt tot toepassing van de hardheidsclausule.


3.5.

Ten aanzien van het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel wordt overwogen dat appellante ook in hoger beroep niet heeft gemotiveerd dat sprake is van gelijke gevallen. De korpschef heeft onweersproken gesteld dat de collega’s van de voormalige politieregio’s Flevoland en Gooi en Vechtstreek waarnaar appellante heeft verwezen, een andere uitgangspositie en inschaling hadden, zodat reeds hierom geen sprake kan zijn van gelijke gevallen. Wat betreft de medewerkers van het Politie Service Centrum is volgens de korpschef evenmin sprake van gelijke gevallen. Dat standpunt heeft de korpschef als volgt toegelicht. Voortschrijdend inzicht over de inrichting van de nieuwe politieorganisatie heeft geleid tot de constatering dat plaatsing van bepaalde groepen in de nieuwe organisatie tot problemen zal leiden. Om die reden is de beleidsbeslissing genomen om voor bepaalde groepen, indien is voldaan aan de in overleg met de politievakbonden afgesproken voorwaarden, met ingang van 1 juli 2014 een andere functie binnen het LFNP van toepassing te laten zijn. Het gaat hier om een op de toekomst gerichte maatregel waarmee is beoogd om voorzienbare problemen bij de reorganisatie te voorkomen. Deze beleidsbeslissingen staan volgens de korpschef los van de uitkomsten van de LFNP-matching, nu het niet gaat om een aanpassing van de matching. Appellante heeft wel gesteld, maar niet toegelicht dat dit anders zou zijn.


3.6.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) A. Stuut




HD