Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 14-4745 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4400

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. Niet woonachtig op het uitkeringsadres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14-4745 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4745 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 juli 2014, 14/2386 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Zwiers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zwiers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.R. Schuurman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 4 juni 2013 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres). Appellant huurt een kamer op het opgegeven adres.


1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het team Handhaving van de afdeling Werk, Zorg en Inkomen van Sociale Zaken van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellant verstrekte gegevens over het opgegeven adres en de feitelijke woonsituatie. In dat kader heeft onder meer op 25 juli 2013 een gesprek met appellant plaatsgevonden en hebben twee handhavingsmedewerkers aansluitend een huisbezoek op het opgegeven adres afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 augustus 2013.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

5 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 maart 2014 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat is gebleken dat appellant niet woont op het opgegeven adres, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 4 juni 2013 tot en met 5 augustus 2013.


4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand, indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.4.

Appellant voert aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode woonde op het door hem opgegeven adres. Deze beroepsgrond slaagt niet.


4.4.1.

Tijdens het afgelegde huisbezoek is geen zomerkleding aangetroffen, bevond zich alleen administratie uit 2008 en 2009 in de woning en zijn geen verzorgingsproducten, keukengerei, serviesgoed en etenswaren aangetroffen. Appellant heeft hierover onder meer verklaard dat hij net terug was van vakantie uit Marokko en dat zijn koffer met zomerkleding en verzorgingsproducten nog bij zijn ex-zwager in [plaatsnaam] stond. Om deze verklaring aannemelijk te maken hebben de handhavingsmedewerkers van de gemeente appellant in de gelegenheid gesteld om de bewuste koffer aan hen te tonen. Daartoe hebben de handhavingsmedewerkers na het huisbezoek op het opgegeven adres met appellant afgesproken dat hij direct, met gebruikmaking van het openbaar vervoer, naar het adres van zijn ex-zwager in [plaatsnaam] zou gaan. Appellant heeft zich niet aan die afspraak gehouden. In plaats van af te reizen naar [plaatsnaam] is appellant naar de moskee gegaan, omdat hij geen geld zou hebben voor een treinkaartje. Appellant heeft aldus zijn koffer niet getoond aan de handhavingsmedewerkers die op het adres van de ex-zwager op appellant stonden te wachten. Deze omstandigheid komt, gelet op 4.2, voor zijn rekening en risico.


4.4.2.

Over het ontbreken van keukengerei, serviesgoed en etenswaren heeft appellant verklaard dat het Ramadan was en dat hij altijd buiten op straat at. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat die omstandigheden niet afdoende de afwezigheid van deze goederen kunnen verklaren.


4.4.3.

De door appellant in beroep ingezonden verklaring van de heer [naam A.] - waar volgens appellant uit blijkt dat hij sinds 2009 op het opgegeven adres woont - leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze verklaring achteraf is opgemaakt en geen steun vindt in objectieve en verifieerbare gegevens.


4.5.

Appellant heeft er nog op gewezen dat hem uiteindelijk met ingang van 14 september 2014 wel bijstand is toegekend. Daartoe heeft hij in hoger beroep besluiten van het college overgelegd. De omstandigheden die tot die toekenning hebben geleid, vertonen volgens appellant gelijkenis met die in de hier voorliggende situatie. In die stelling wordt appellant niet gevolgd. Nog daargelaten dat de overgelegde besluitvorming buiten de hier te beoordelen periode valt, volgt uit 4.4.1 tot en met 4.4.3 dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode woonde op het door hem opgegeven adres. Het enkele feit dat aan appellant met ingang van een latere datum wel bijstand is toegekend, maakt dit niet anders.


4.6.

Uit 4.4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD