Centrale Raad van Beroep, 09-12-2015 / 14/3360 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4454

Inhoudsindicatie
Het Uwv heeft ten onrechte geweigerd de aan appellante opgelegde loonsanctie te verkorten. Met de activiteiten die zijn ontplooid is sprake geweest van een intensief begeleidingstraject in het tweede spoor gedurende in totaal negen maanden. Niet gezegd kan worden dat in redelijkheid nog meer van appellante verwacht mag worden of dat de re-integratie-inspanningen van appellante daarmee nog als onvoldoende beoordeeld moeten worden. De Raad voorziet zelf en bepaalt dat de periode waarin appellante het loon van werkneemster moet doorbetalen wordt verkort tot 10 mei 2013.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-09
Publicatiedatum
2015-12-13
Zaaknummer
14/3360 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3360 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 april 2014, 13/5614 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)







Datum uitspraak: 9 december 2015



PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Voor appellante is verschenen W. Snel , bijgestaan door mr. Labordus en I. van Oers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.



OVERWEGINGEN


1.1.

[werkneemster] (werkneemster) is op 11 november 2010 met rugklachten uitgevallen voor haar werk bij appellante als chauffeur pakketdienst voor 24 uur per week. Na de aanvraag van werkneemster van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellante beoordeeld.


1.2.

Bij besluit van 19 oktober 2012 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken waarin werkneemster jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 6 november 2013. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie

genoemd - is opgelegd op de grond dat door appellante onvoldoende

re-integratie-inspanningen zijn verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van die wet. Aan dit besluit ligt een rapport van een arbeidsdeskundige van 11 oktober 2012 ten grondslag, waarin is vastgesteld dat appellante te laat is gestart met activiteiten in het zogenoemde tweede spoor en dat daardoor

re-integratiekansen zijn gemist. Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2012, onder verwijzing naar een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 maart 2013, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 oktober 2013 het beroep tegen de beslissing op bezwaar van

5 maart 2013 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.


1.3.

Bij brief van 5 maart 2013, door het Uwv ontvangen op 8 maart 2013, heeft appellante aan het Uwv verzocht de opgelegde loonsanctie te bekorten. Zij heeft daarbij stukken overgelegd die inzicht geven in de activiteiten die zij samen met werkneemster en een door haar ingeschakeld re-integratiebedrijf heeft ondernomen na het besluit van 19 oktober 2012.


1.4.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante is een onderzoek ingesteld door een arbeidsdeskundige, die in zijn rapport van 28 maart 2013 heeft geconcludeerd dat de

re-integratie inspanningen (nog) onvoldoende zijn “omdat Spoor-2 nog onvoldoende leiding kent, er geen helder doel wordt omschreven, er geen tijdpad wordt uitgezet in het licht van de afstand tot de arbeidsmarkt van werkneemster”. Volgens de arbeidsdeskundige heeft de door appellante bij het re-integratiebedrijf ingekochte module Jobhunting weinig toegevoegd en moet appellante een adequaat re-integratietraject opzetten en vervolgen. In overeenstemming met de bevindingen van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 11 april 2013 het verzoek van appellante afgewezen.


1.5.

Bij besluit van 18 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 september 2013 ten grondslag gelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv op basis van de beschikbare stukken terecht gesteld dat de door appellante verrichte re-integratie-inspanningen niet als adequaat zijn te kwalificeren. Hieruit volgt dat appellante haar tekortkomingen in de

re-integratie-inspanningen ten tijde van het verzoek om bekorting van de opgelegde loonsanctie onvoldoende heeft hersteld, zonder dat zij hiervoor een deugdelijke grond had, zodat het Uwv daarom terecht heeft geweigerd de aan appellante opgelegde loonsanctie te verkorten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante (samengevat) aangevoerd dat wel sprake is geweest van een adequaat re-integratietraject en dat ten onrechte niet is overgegaan tot het bekorten van de opgelegde loonsanctie.


3.2.

Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en heeft in reactie op wat in hoger beroep is aangevoerd een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 augustus 2014 overgelegd.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht het verzoek van appellante tot bekorting van de opgelegde loonsanctie heeft afgewezen. Als een re-integratietraject niet ertoe heeft geleid dat de werknemer heeft hervat in structureel werk met een loonwaarde van ten minste 65%, wordt het resultaat van de verrichte re-integratie-inspanningen ook als bevredigend beoordeeld als de werknemer een adequaat traject gericht op de aanvaarding van ander werk heeft doorlopen.


4.2.1.

In artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA is bepaald dat, indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde re-integratie-inspanningen heeft hersteld, hij dit meldt aan het Uwv, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld. De periode waarover het Uwv na ontvangst van de melding beoordeelt of de tekortkoming is hersteld, loopt van de datum van het besluit waarbij de loonsanctie is opgelegd tot de datum waarop het bekortingsverzoek is gedaan.


4.2.2.

Het dertiende lid van artikel 25 van de Wet WIA bepaalt dat het Uwv de beschikking waarin wordt vastgesteld of de tekortkoming, bedoeld in het negende lid is hersteld, geeft binnen drie weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het twaalfde lid. Op grond van artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, eindigt het tijdvak bedoeld in het negende lid, zes weken nadat het Uwv heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming in de re-integratie-inspanningen heeft hersteld.

4.3.

In het arbeidskundig rapport van 11 oktober 2011, dat aan het loonsanctiebesluit van

19 oktober 2012 ten grondslag is gelegd, is vermeld op welke wijze appellante de tekortkoming in de re-integratie kan herstellen: “Doorgaan met re-integratie. Vinger aan de pols houden wegens opgelopen achterstand. Uitgaande van een duidelijk arbeidsprofiel met de gestelde belastbaarheid passende werkzaamheden zoeken”.


4.4.

Op grond van de door appellante aan het verzoek ten grondslag gelegde stukken, bezien in samenhang met de door I. van Oers, werkzaam bij re-integratiebedrijf Link@work, in bezwaar, beroep en hoger beroep gegeven nadere toelichtingen, wordt vastgesteld dat appellante na het loonsanctie besluit het lopende traject in het tweede spoor heeft voorgezet en voor het herstel van de door de arbeidsdeskundige in het rapport van 11 oktober 2012 gesignaleerde tekortkomingen een extra module Jobhunting heeft afgenomen. Uit het op

28 februari 2013 door werkneemster voor akkoord getekende eindverslag van Link@Work blijken de in het kader van deze module ondernomen activiteiten. Er is, na overleg met het Uwv over de herstelmogelijkheden van werkneemster, op verzoek van Link@Work een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld door de bedrijfsarts van appellante. Aan de hand van deze FML is een nieuw arbeidsprofiel opgesteld. Er zijn maatregelen genomen om werkneemster te ondersteunen bij het gebruik van een computer, het schrijven van sollicitatiebrieven en haar presentatie. Vervolgens heeft Link@Work gericht contact gezocht met een groot aantal bedrijven om de mogelijkheden voor plaatsing van werkneemster in een (eventueel aangepaste) functie te onderzoeken en heeft werkneemster in de maanden januari en februari 2013 gesolliciteerd naar meerdere functies.


4.5.

Geconcludeerd wordt dat met de activiteiten die zijn ontplooid in het kader van de module Jobhunting sprake is geweest van een intensief begeleidingstraject in het tweede spoor gedurende in totaal negen maanden. Niet gezegd kan worden dat in redelijkheid nog meer van appellante verwacht mag worden of dat de re-integratie-inspanningen van appellante daarmee nog als onvoldoende beoordeeld moeten worden. Met name kan het gegeven dat werkneemster geen sollicitatiecursus heeft gedaan geen aanleiding zijn om in dit geval te oordelen dat er een tekortkoming is. Er is door appellante en Van Oers afdoende toegelicht waarom die cursus niet is gedaan en bovendien is overtuigend gebleken dat voor werkneemster in de re-integratieperiode na het opleggen van de loonsanctie veelvuldig naar in beginsel voor haar passende werkzaamheden is gezocht en contacten met potentiele werkgevers zijn gelegd. Bij afsluiting van de module Jobhunting eind februari 2013 was sprake van een adequaat en afgerond traject naar ander werk. Daaraan doet niet af dat het traject niet heeft geleid tot het vinden van passend werk bij een andere werkgever. Het Uwv heeft dan ook ten onrechte geweigerd de aan appellante opgelegde loonsanctie te verkorten.


4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.


5. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 11 april 2013 te herroepen en te bepalen dat, met inachtneming van artikel 25, dertiende en veertiende lid, van de Wet WIA de periode waarin appellante het loon van werkneemster moet doorbetalen wordt verkort tot 10 mei 2013, zijnde de laatste dag van een periode van negen weken na de dag van ontvangst van het bekortingsverzoek.


6. Er bestaat aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de kosten van rechtsbijstand van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.940,-.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van 18 september 2013 en herroept het besluit van 11 april 2013;
  • - bepaalt dat de periode waarin appellante het loon van werkneemster moet doorbetalen wordt verkort tot 10 mei 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 811,- vergoedt;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-.


Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) M.S.E.S. Umans


UM