Centrale Raad van Beroep, 18-02-2015 / 14-728 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:447

Inhoudsindicatie
Herziening studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende en terugvordering. De verklaringen over de slaapplek van appellante zijn (...) niet consistent en het is niet geloofwaardig dat appellante ten tijde van het huisbezoek een kamer op zolder bewoonde.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
14-728 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/728 WSF

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 december 2013, 13/1270 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Minister heeft over het jaar 2012 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 16 november 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats], het adres van haar tante, oom en vier kinderen.

1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2012 heeft de Minister appellante vanaf

1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 1.905,40 teruggevorderd, dat als gevolg van de herziening te veel aan appellante is betaald.


1.3.

Bij besluit van 1 februari 2013 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 oktober 2012 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft de Minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een huisbezoek op 3 oktober 2012 op het GBA-adres van appellante, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van eveneens 3 oktober 2012. Het huisbezoek is afgelegd in het bijzijn van de tante van appellante, [X.]. De tante heeft tegenover de controleurs verklaard dat appellante bij haar woont omdat appellante niet met haar broer overweg kan en het ouderlijk huis te klein is. Verder heeft de tante verklaard dat appellante bij het dochtertje van de tante slaapt in een stapelbed, dat appellantes schoolspullen in een kluis op school liggen en dat appellante haar laptop en make-up spullen mee heeft naar school. De tante heeft de controleurs een kamer getoond. In die kamer hebben de controleurs een stapelbed aangetroffen. De tante heeft verklaard dat appellante soms boven en soms beneden slaapt. De kamer betrof een kinderkamer. Op een kinderbureau in de kamer lag ongeopende post, waaronder een stempas van appellante. Gevraagd naar de kleding van appellante heeft de tante een kast in een andere kamer laten zien, waarin kleren van de kinderen en hun ouders lagen. Niet duidelijk was aan wie de kleding toebehoorde. De controleurs hebben geconcludeerd dat er niets te vinden is waaruit blijkt dat appellante op het GBA-adres woont.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van de Minister dat appellante niet woonde op haar GBA-adres. Appellante heeft geen tegenbewijs geleverd dat twijfel wekt aan de juistheid van de conclusie van de Minister.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het door de Minister ingenomen standpunt dat zij ten tijde hier van belang niet woonde op haar GBA-adres. Appellante stelt dat zij op zolder woonde. De meeste van haar spullen lagen daar. Zij sliep in de periode voor het huisbezoek soms op zolder en soms in de door de controleurs bezochte kamer. De tante heeft de controleurs gewezen op de zolderruimte, maar zij vonden het niet nodig die ruimte te bekijken. Appellante is er verder verbaasd over dat het feit dat zij haar toiletspullen altijd meeneemt, als een aanwijzing wordt gezien dat ze niet bij haar tante woont. Ook bevreemdt het appellante dat de controleurs bij de kledingkast niet konden opmaken van wie de daarin aanwezig kleding was. Duidelijk kon toch zijn dat de strakke spijkerbroeken en korte truitjes en jasjes aan appellante toebehoorden. Appellante is van mening dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.

4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.


4.1.3.

De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.1.4

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.


4.1.5.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.


4.2.

Een herziening als hier aan de orde is een belastend besluit zodat de Minister aannemelijk moet maken dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn gesteld. Aan die bewijslast heeft de Minister voldaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek op het GBA-adres van appellante voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de Minister dat appellante ten tijde van belang niet woonde op haar GBA-adres. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.3.

Uit het rapport van het huisbezoek volgt dat op de als kamer van appellante getoonde kamer geen persoonlijke spullen van appellante, met uitzondering van wat ongeopende post, zijn aangetroffen. Verder was de kleding van appellante voor de controleurs niet herkenbaar aanwezig in een kast met kleding van alle gezinsleden. In de kern komt het betoog van appellante er op neer dat zij op zolder woonde en dat het aan het verzuim van de controleurs is te wijten dat zij de zolderruimte niet hebben bekeken. In haar bezwaarschrift, ingestuurd op 11 november 2012, heeft appellante echter vermeld dat er een stapelbed is - dit moet het stapelbed in de kinderkamer zijn - en dat zij afwisselend boven en beneden slaapt. Op de zitting heeft appellante desgevraagd verklaard dat de zolderruimte eind juli 2012 klaar was. Op de vraag hoe dat te rijmen is met de stelling van appellante in haar bezwaarschrift dat zij in het stapelbed afwisselend boven en beneden sliep, heeft appellante verklaard dat zij bij haar nichtje sliep. Verder heeft appellante verklaard dat zij af en toe beneden sliep, in de woonkamer of in de slaapkamer van haar nichtje. Ook heeft zij op de zitting verklaard dat zij bij haar nichtjes sliep totdat de zolderruimte in orde was gemaakt. De tante heeft verklaard dat appellante bij het dochtertje van de tante slaapt. De verklaringen over de slaapplek van appellante zijn daarmee niet consistent en het is niet geloofwaardig dat appellante ten tijde van het huisbezoek een kamer op zolder bewoonde. Ook is het niet aannemelijk dat de tante de controleurs meeneemt naar de kinderkamer met het stapelbed, als de kamer van appellante zich op zolder bevindt. Appellante wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de controleurs niet naar de zolder zijn gegaan.

4.4.

De Raad komt tot de slotsom dat in wat appellante heeft gesteld geen aanleiding wordt gevonden voor twijfel aan de door de Minister uit de waarnemingen van de controleurs getrokken conclusie. Dat bij een eerder onderzoek in juni 2012 de Minister heeft geconcludeerd dat er sprake was van een twijfelgeval, maakt dat niet anders.


4.5.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) D. van Wijk






NK