Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-5240 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:449

Inhoudsindicatie
Geen sprake van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, omdat het appellante op 7 december 1998 overkomen ongeval niet kan worden aangemerkt als een dienstongeval. Geen dienstreis, maar woon-werkverkeer.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-5240 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5240 AW, 13/5241 AW, 13/6113 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

22 augustus 2013, 13/2971 en 13/4163, (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J. Weekers hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een besluit van het college van 30 oktober 2013 ingezonden dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Weekers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. A.J. Bakkes.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was fulltime werkzaam bij de gemeente Eindhoven, bureau Criminaliteitspreventie, onderdeel HALT. Zij had als standplaats Eindhoven, maar verrichtte ook regelmatig werkzaamheden in de regiogemeenten Waalre en Valkenswaard. Op

7 december 1998 heeft zij een auto-ongeluk gehad, toen zij na afloop van een spreekuur in Valkenswaard op weg was naar haar huis in Veldhoven. Als gevolg daarvan is appellante met korte onderbrekingen ongeschikt geweest om haar werkzaamheden volledig te verrichten. Vanaf 2002 werkte zij 20 uur per week in verschillende functies, terwijl zij de overige uren mocht besteden aan het volgen van een universitaire studie rechten aan de Open Universiteit. Daarvoor ontving zij tevens studiefaciliteiten. Een korting op de bezoldiging wegens langdurige ziekte heeft niet plaatsgevonden.


1.2.

Met ingang van 1 november 2011 is appellante weer 36 uur per week gaan werken. Op

28 november 2011 is zij weer volledig uitgevallen en vanaf 23 februari 2012 is zij volledig arbeidsongeschikt. Het college heeft besloten vanaf 1 november 2012 met toepassing van artikel 7:3, tweede lid van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Eindhovense Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR/EAR) een korting toe te passen op de bezoldiging van appellante. Deze korting is na bezwaar gehandhaafd.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep, gericht tegen de beslissing op bezwaar van 18 maart 2013 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst als bedoeld in artikel 7:1, aanhef en onder d, van de CAR/UWO (lees: CAR/EAR). Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante op weg was naar huis. Zij heeft de gestelde afspraak dat haar werktijd eindigde als zij de bebouwde kom van Veldhoven bereikte, niet onderbouwd. Bovendien neemt de gestelde afspraak niet weg dat sprake was van woon-werkverkeer. Of het ongeluk tijdens diensttijd plaatsvond is volgens de rechtbank niet van belang. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Omdat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 7:3 van de CAR/EAR, zoals deze bepaling in 1998 luidde, heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.


2.2.

Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 30 oktober 2013 heeft het college het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. De korting op de bezoldiging van appellante is vanwege doorlopende arbeidsongeschiktheid gebaseerd op artikel 7:28, vijfde lid, van de CAR/EAR in verbinding met artikel 7:3 van de CAR/EAR, wat meebrengt dat de korting 20% bedraagt en ingaat 18 maanden na 23 februari 2012, dat is vanaf 23 augustus 2013.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank en het college kunnen worden gevolgd in het oordeel dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, omdat het appellante op 7 december 1998 overkomen ongeval niet kan worden aangemerkt als een dienstongeval als bedoeld in artikel 7:1, aanhef en onder d, van de CAR/EAR.


3.2.

Aan het besluit van 30 oktober 2013, dat de Raad met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrekt, ligt eveneens het standpunt ten grondslag dat in het geval van appellante geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.


3.3.

Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak en het besluit van 30 oktober 2012 aangevoerd dat zij een afspraak had met haar leidinggevende M, die inhield dat, als zij van huis naar een andere locatie dan haar standplaats ging en omgekeerd, haar reistijd buiten de bebouwde kom van haar woonplaats Veldhoven als diensttijd zou worden aangemerkt. Appellante is van mening dat het van belang is om vast te stellen dat die afspraak is gemaakt, omdat volgens haar sprake is van een dienstongeval als een deel van de reistijd als diensttijd is aangemerkt. Zij ziet haar visie ondersteund door de uitspraak van de Raad van 5 november 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AA8755.


3.4.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/EAR wordt onder arbeidsongeschiktheid in en door de dienst verstaan: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht.


3.5.

De Raad stelt vast dat het in 1998 tot het takenpakket van appellante behoorde om werkzaamheden te verrichten in de regiogemeenten Waalre en Valkenswaard, waaronder het tweemaal per week houden van een spreekuur in de namiddag, eenmaal in Waalre en eenmaal in Valkenswaard. Gelet op de aard en de frequentie van deze werkzaamheden dienen Waalre en Valkenswaard mede te worden aangemerkt als de plaats waar appellante gewoonlijk haar arbeid verrichtte. Hieruit vloeit voort dat, wanneer zij - om praktische redenen - na afloop van het spreekuur vanuit Waalre dan wel Valkenswaard niet eerst terugkeerde naar kantoor in het centrum van Eindhoven, maar rechtstreeks naar huis reed, deze rit moet worden aangemerkt als woon- werkverkeer. Dit betekent dat het ongeval niet kan worden aangemerkt als een dienstongeval als bedoeld in artikel 7:1, aanhef en onder d, van de CAR/EAR.


3.6.

Appellante heeft het bestaan van de gestelde afspraak met M niet aannemelijk gemaakt. Uit de in hoger beroep overgelegde memo blijkt niet meer dan dat de gemeente Eindhoven met de regiogemeenten Waalre en Valkenswaard contracten heeft gesloten, onder meer over het houden van spreekuur in die gemeenten, waarbij is overeengekomen dat zowel de met het spreekuur gemoeide tijd als de reistijd vanuit Eindhoven aan de gemeente Eindhoven wordt betaald. Ook wanneer zou vaststaan dat bij de declaraties van appellante een deel van haar reistijd naar huis als diensttijd zou worden vergoed, brengt dat nog niet mee dat het ongeval geacht moet te hebben plaatsgevonden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Deze beroepsgrond slaagt niet.


3.7.

Het beroep van appellante op de onder 3.3 genoemde uitspraak stuit af op het feit dat het in die uitspraak beoordeelde geval niet in relevante mate vergelijkbaar is met haar situatie. Anders dan in het geval van appellante ging het in genoemde uitspraak niet om een reis naar huis vanaf een locatie waar reguliere werkzaamheden werden verricht, maar om een dienstreis naar een sportaccommodatie.


3.8.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank terecht verworpen. Een dergelijk beroep kan volgens vaste rechtspraak (CRvB 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen is in dit geval niet voldaan. Aan het in behandeling nemen van de formulieren die appellante na het ongeval heeft ingevuld en ingezonden, waaronder het formulier melding arbeidsongeval overheids- en onderwijspersoneel en het meldingsformulier bij ongevallen, heeft zij niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat het college haar ongeval als dienstongeval heeft aangemerkt. Daartoe is ook niet toereikend dat het college tot november 2012 nimmer is overgegaan tot het toepassen van een korting op haar bezoldiging.


3.9.

Uit 3.2 tot en met 3.8 volgt dat de onder 3.1 gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover deze is aangevochten. Het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2013 zal ongegrond worden verklaard.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2013 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD