Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-4330 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:450

Inhoudsindicatie
Terugvordering ten onrechte uitbetaalde aansluitende bovenwettelijke uitkering. Hetgeen appellant (de minister) in hoger beroep heeft aangevoerd - in wezen een herhaling van het standpunt in de brief van 25 april 2013 - tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Appellant heeft zijn stelling dat betrokkene kan bezuinigen op de uitgaven aan UPC en T-mobile niet onderbouwd met concrete gegevens. Dat betrokkene in de bezwaarfase voor deze kostenposten andere bedragen heeft genoemd dan in het budgetplan en aanvankelijk te kennen heeft gegeven maandelijks € 10,- of € 20,- te kunnen aflossen is daartoe ontoereikend. Bij gebreke van een voldoende onderbouwing van de stelling van appellant mocht de rechtbank uitgaan van de bedragen die in het budgetplan zijn opgenomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-4330 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/102
Uitspraak

13/4330 AW

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 juli 2013, 12/3669 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Namens appellant zijn verschenen mr. P.E. Holtrigter en H. Hendriks. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 3 augustus 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 19 februari 2010 is aan haar op grond van het (toenmalige) Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO) een bovenwettelijke uitkering toegekend voor maximaal 104 weken. Na afloop van deze aanvulling heeft betrokkene recht op een aansluitende bovenwettelijke uitkering. Na een ziekmelding van betrokkene op 21 oktober 2010, ontving zij een uitkering op grond van de Ziektewet.


1.2.

Bij besluit van 22 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 augustus 2012 (bestreden besluit), heeft appellant een bedrag van € 1.311,95 aan ten onrechte uitbetaalde aansluitende bovenwettelijke uitkering teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene over de maanden maart en april 2012 geen recht had op de aansluitende bovenwettelijke uitkering, omdat zij in verband met haar arbeidsongeschiktheid na

2 februari 2012 nog recht had op een aanvullende bovenwettelijke aanvulling op de

ZW-uitkering. Appellant concludeert dat er geen dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


2.1.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 11 april 2013, samengevat, geconstateerd dat betrokkene omvangrijke lasten en hoge schulden heeft, dat zij onder budgetbeheer staat,

€ 200,- per maand aan leefgeld ontvangt en (toegenomen) psychische klachten heeft als gevolg van de terugvordering. Aan het moeten terugbetalen van ten onrechte betaalde aansluitende bovenwettelijke uitkering zijn onaanvaardbare financiële en sociale consequenties voor betrokkene verbonden. Appellant heeft zich in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan hij af had kunnen zien van terugvordering. De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de uitspraak en met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.


2.2.

Appellant heeft zich in een brief van 25 april 2013 op het standpunt gesteld dat betrokkene kan bezuinigen op de kostenpost van UPC en T-mobile, waardoor ze in staat is om haar schuld in termijnen af te lossen. Deze bezuiniging brengt volgens appellant geen gevolgen teweeg die ertoe zouden moeten leiden dat van terugvordering zal moeten worden afgezien, omdat die gevolgen geen onaanvaardbare financiële en/of sociale consequenties inhouden.


2.3.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant zich met zijn nadere motivering onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de voldoende gespecificeerde en met concrete gegevens onderbouwde stelling van betrokkene dat zij geen enkele financiële ruimte had voor aflossing van het aan verweerder verschuldigde bedrag, en dat aan het moeten terugbetalen van dit bedrag onaanvaardbare financiële en sociale consequenties voor haar waren verbonden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vervolgens vernietigd, het besluit van 22 juni 2012 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep (opnieuw) op het standpunt gesteld dat betrokkene kan bezuinigen op de uitgaven aan UPC en T-mobile, zonder dat daaraan onaanvaardbare financiële en sociale consequenties zijn verbonden. Voorts is het appellant niet duidelijk wat de juridische status is van het budgetplan dat betrokkene aan de rechtbank heeft overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt hetgeen onverschuldigd is betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) teruggevorderd. Op grond van het vierde lid van dit artikel kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


4.1.2.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van het BBWO, is artikel 36 van de WW van overeenkomstige toepassing op de (terugvordering van de onverschuldigd betaalde) aanvulling op de WW-uitkering.


4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - in wezen een herhaling van het standpunt in de brief van 25 april 2013 - tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Appellant heeft zijn stelling dat betrokkene kan bezuinigen op de uitgaven aan UPC en T-mobile niet onderbouwd met concrete gegevens. Dat betrokkene in de bezwaarfase voor deze kostenposten andere bedragen heeft genoemd dan in het budgetplan en aanvankelijk te kennen heeft gegeven maandelijks € 10,- of € 20,- te kunnen aflossen is daartoe ontoereikend. Bij gebreke van een voldoende onderbouwing van de stelling van appellant mocht de rechtbank uitgaan van de bedragen die in het budgetplan zijn opgenomen.


4.3.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD