Centrale Raad van Beroep, 02-12-2015 / 14/6160 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4503

Inhoudsindicatie
Heropening eerder ingetrokken WAO-uitkering. Het Uwv mocht ... bepalen dat appellante, uitgaande van het in het kader van de WAO-beoordeling per 10 mei 2011 vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,71%, ook op en na 10 mei 2011 ingedeeld bleef in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Overschrijding redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-02
Publicatiedatum
2015-12-16
Zaaknummer
14/6160 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/6160 WIA

Datum uitspraak: 2 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2014, 11/5176 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Miranda, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Miranda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving met ingang van 13 mei 1988 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), vanaf 14 mei 1993 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 26 juli 2007 beëindigd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op die datum minder dan 15% bedroeg. Bij besluit van 1 april 2008 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 25 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.


1.2.

Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet heeft appellante zich op 12 mei 2009 ziek gemeld. Op 26 januari 2011 heeft appellante een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv appellante bij besluit van 11 april 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met ingang van 10 mei 2011, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 46,72%.


1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 april 2011, en in dat kader onder meer aangevoerd dat haar arbeidsongeschiktheid per 12 mei 2009 voortkwam uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan een WAO-uitkering werd ontvangen. Appellante heeft betoogd dat het Uwv haar aanvraag voor een WIA-uitkering dan ook had moeten opvatten als een aanvraag om heropening van haar WAO-uitkering per 9 juni 2009 op grond van artikel 43a van de WAO (Wet Amber).


1.4.

In het kader van haar bezwaar is appellante onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 12 mei 2009 inderdaad voortkwam uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij tot 26 juli 2007 een WAO-uitkering ontving. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van appellante per 9 juni 2009 en 10 mei 2011 vastgelegd in twee zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor appellante geschikt te achten functies geselecteerd en berekend dat haar mate van arbeidsongeschiktheid per 9 juni 2009 41,27% bedroeg en per 10 mei 2011 41,71%.


1.5.

Bij besluit van 19 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april 2011 gegrond verklaard, haar met ingang van 9 juni 2009 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, en tevens bepaald dat ook op en na 10 mei 2011 sprake was van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het Uwv heeft, gelet op het feit dat appellante met ingang van 9 juni 2009 recht had op een WAO-uitkering, de bij besluit van 11 april 2011 per 10 mei 2011 toegekende WGA-uitkering ingetrokken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante erop gewezen dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO per 10 mei 2011 heeft vastgesteld op 41,71%, maar dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 mei 2011 in het kader van de (eerdere) WIA-beoordeling al had vastgesteld op 46,72%. Appellante heeft betoogd dat het Uwv in het kader van de (latere) WAO-beoordeling niet mocht terugkomen van dit per 10 mei 2011 vastgestelde percentage van 46,72%. Het Uwv had de WAO-uitkering van appellante per 10 mei 2011 dan ook moeten berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellante heeft daarnaast de Raad bij afzonderlijke brief verzocht het Uwv en/of de Staat te veroordelen tot betaling van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting beperkt het geschil in hoger beroep zich tot de vraag of het Uwv in het bestreden besluit bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO per 10 mei 2011 mocht terugkomen op het in het kader van de (eerdere) WIA-beoordeling per 10 mei 2011 vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 46,72%. In dat kader wordt het volgende overwogen.


4.2.

Vooropgesteld wordt dat appellante in het kader van haar bezwaar tegen de toegekende WGA-uitkering zelf heeft betoogd dat sprake zou moeten zijn van een heropening van haar eerder ingetrokken WAO-uitkering, en dat het Uwv appellante daarin in het bestreden besluit heeft gevolgd. Het Uwv heeft dan ook in dat verband opnieuw een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling uitgevoerd, en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 9 juni 2009 41,27% bedroeg en per 10 mei 2011 41,71%. Dat de in de bezwaarfase uitgevoerde WAO-beoordeling per 10 mei 2011 heeft geresulteerd in een lager arbeidsongeschiktheidspercentage dan de in de primaire fase uitgevoerde WIA-beoordeling per 10 mei 2011, is inherent aan het systeem van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en hangt onder meer samen met de eerdere ingangsdatum van de WAO-uitkering. Daarbij speelt tevens een rol dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WAO per 10 mei 2011 een nieuwe FML heeft opgesteld, waarin overigens meer beperkingen waren opgenomen dan in de FML die ten grondslag lag aan de eerdere WIA-beoordeling per 10 mei 2011. Bovendien heeft het Uwv appellante, in vervolg op de in het bestreden besluit neergelegde besluitvorming, bij brief van 6 juni 2012 meegedeeld dat zij recht heeft op een nabetaling aan WAO-uitkering van € 4.806,56, waaruit volgt dat zij door de besluitvorming niet is benadeeld. Onder de gegeven omstandigheden komt aan het feit dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in het kader van de WIA-beoordeling per 10 mei 2011 eerder had vastgesteld op 46,72% geen betekenis toe voor de WAO-beoordeling. Het Uwv mocht dan ook bepalen dat appellante, uitgaande van het in het kader van de WAO-beoordeling per 10 mei 2011 vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,71%, ook op en na 10 mei 2011 ingedeeld bleef in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.


4.3.

Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.


5.2.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van verzoeker van belang, zoals dat ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.


5.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling in de bestuurlijke fase ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. De in overweging 5.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.


5.4.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vast staat dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 23 mei 2011 tot de datum van deze uitspraak vier jaren en ruim zes maanden zijn verstreken. De behandeling van het bezwaar heeft (bijna) vier maanden geduurd, de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 31 oktober 2011 tot de datum van de uitspraak op 30 september 2014 twee jaar en (bijna) elf maanden en de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 10 november 2014 tot de datum van deze uitspraak (ruim) een jaar. Hieruit volgt dat de redelijke termijn is geschonden in de rechterlijke fase. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met iets meer dan zes maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. De Staat zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan appellante.


6. Gelet op de veroordeling van de Staat tot betaling van schadevergoeding en het daartoe strekkende afzonderlijke verzoek bestaat er aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • - veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,-;
  • - bepaalt dat de Staat het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- aan haar vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




NK